Derk Jansen

Uit de Dagboeken van meester Hendrik Willem Heuvel. (Onze Jaren. Ter Herinnering deel V) 

Woensdag 9 december (1925): 

9 Wo. dooi – 12 za. n(amiddag) bij Carel Schaars (beter m. rheum): veel oudheden ontdekt – mijn hoesten weinig beter – Boek van Dr. Waterink: Bij ons (…)

--------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Bij ons, in t’ land der Saksers. 

Achterhoekse auteurs doorbreken een grens.

 

Inleiding

Een ‘Stânfries’ (ironisch: een ‘Diep-Fries’) zal in 1926, het jaar van verschijnen van Bij ons, in t’ land der Saksers , hoogstens wat in het boek gebladerd hebben, misschien heeft hij gedacht: ‘Saksers (…) daar willen we niets mee te maken hebben, dat ‘bin’n Grinzers’ uit het ‘Oer Lauwerse’. Vóór het jaar 1500 mogen Friezen en Groningers iets hebben gehad wat op een gezamenlijke geschiedenis lijkt, nu hebben wij Friezen daar geen affiniteit meer mee, geen belangstelling meer voor. Ook niet voor die merkwaardige Friese gebiedsdelen Oost- en Weststellingwerf, waar Saksisch gesproken wordt en je met je memmetael niet terecht kunt. Rients Gratama, de Friese troubadour zong en zei niet voor niets: ‘’Mei Frysk komst heechút tot Wolvegea.’’ ‘ 

Dr. Jan Waterink

Ga je door de inhoudsopgave van het boek Bij ons, in t’ land der Saksers dan kijkt de Sakser op zijn beurt overigens ook vreemd op, want dat Stellingwerfs is niet vertegenwoordigd. We bezien straks de inhoud nog eens en onze ogen dwalen over  het titelblad van het boek; wéér iets merkwaardigs: in de titel is de komma na Bij ons overbodig, want gekunsteld en staat de apostrof van het lidwoord op de verkeerde plaats, want hij hoort vóór de T te staan. En dan de auteurs; W.H. Heuvel staat er, terwijl deze toch echt gedoopt is als Hendrik Willem. F.C. Crone staat er ook; in de inhoudsopgave – heel verwarrend - G.F. Crone genoemd. Het lijkt er op, dat de hoofdredacteur van het boek, dr. J. Waterink, wat nauwkeuriger had moeten kijken, maar daar door zijn drive tot productie, zijn eerzucht en tijdgebrek er niet aan is toegekomen. Zijn biograaf E. Mulder formuleert die instelling – heel behoedzaam - als volgt: ‘Waterink


werkte hard: naast een groot aantal artikelen publiceerde hij in 1927 en 1929 het tweede en derde stuk van zijn Inleiding, en in 1927 richtte hij een Psychotechnisch Laboratorium op.‘ Waterinks ijdelheid gaf zijn biograaf het volgende in zijn pen: ‘Hij voelde zich gepasseerd wanneer een bestuursfunctie of adviseurschap op het brede terrein van zijn activiteiten naar een ander ging, maar merkte eens op dat wanneer hij erbij betrokken raakte, hij er eigenlijk geen tijd voor had.’   

Slordigheid lijkt hier enigszins bepalend voor Waterink en dat treft des te meer als hij de bronnen van zijn brochure noemt. Daar hoort meester Heuvel namelijk ook bij; er is wat gereserveerde lof voor diens boek Volksgeloof en Volksleven uit 1909. De meester zelf echter wordt wèggezet, want Waterinks oordeel over het boek luidt: ‘een mooi boek; gezellige verhaaltrant; maar door den weinig wetenschappelijken ondergrond van den schrijver, bij een schat van wetenswaardigheden, vaak zeer oppervlakkig; klakkeloos worden b.v. parallellen getrokken tusschen de gebruiken bij de Semieten en den Isralitischen eeredienst eenerzijds en de animitische (sic!DJ.) godsdienst- gewoonten bij onze Saksischse voorouders anderzijds.’ 

Deze kritiek lijkt gezocht en zwak onderbouwd, in elk geval  tegenstrijdig aan de geluiden die klonken toen Heuvels boek in 1909 verscheen.  Waterink kritiseerde vanuit zijn theologische achtergrond en bovendien een decennium later, immers Heuvels boek verscheen in 1909, dat van Waterink in 1921. Hoe het ook zij, in de maand december van het jaar 1925 was Waterink bij Heuvel op bezoek. Een vriendschappelijk bezoek mogen wij aannemen, wellicht hebben zij gesproken over zaken die hen interesseerden: de plaats en positie van het Saksisch, de Saksische identiteit, de Saksische cultuur, het Saksische land en zijn omvang als spiegel van wat er in het Friese gebied leefde (het streven naar een Groot-Friesland, Magna Frisia). In de paragraaf ‘Heuvel en Waterink’ zal nog nader ingegaan worden op wat hen bond.

Ik kom nog even terug op Waterinks beschrijving van Volksgeloof en Volksleven. Het scherpe oordeel van de hoogleraar vraagt om een vergelijking van de beide boeken, ook al omdat veelal dezelfde onderwerpen aan de orde komen – elfen, nachtmerries, de duivel, weerwolven, heksen enz. De verhalen van Heuvel zijn uitgebreider, daar is een verteller aan het woord, die ook soepel schrijft, gecompliceerde zaken duidelijk uit kan leggen, een schrijver die trekt... Heuvel schrijft beter dan Waterink, met enige overdrijving: Waterink hanteert de degen, Heuvel het floret, hij is fijnzinniger en daardoor boeiender. Heuvel is ook origineler; de voorbeelden die Waterink gebruikt, komen we ook alle bij Heuvel tegen.

Vermoedelijk heeft Waterink de meester ook willen kapittelen, omdat hij genuanceerd tegen het spiritisme, het geestengeloof, aankeek. Via de begrippen veurschien (voorschouw) en naschien (geestverschijning, materialisatie) komt Waterink bij het spiritisme terecht.  Waterink en Heuvel nemen hier volstrekt tegengestelde standpunten in: Waterink schrijft: ‘En wij gelooven, dat na den dood, van stonde af aan, onze ziel naar de eeuwige plaats van bestemming gaat. Op den dag van den dood is het ‘’heden in het paradijs’’ of ‘’de ogen openen in de hel’’ In beide gevallen is een menselijke geest kansloos, direct verkeert die in het rijk van God of in het rijk van de duivel. Geen geestverschijningen, geen geestmanifestaties, zeker geen materialisaties, van spiritisme kan er zo geen enkele sprake zijn.

Heuvel is op dit vlak veel genuanceerder. In het spoor van de filosoof Fechner en Frederik van Eeden laat hij veel ruimte voor het spiritisme, zonder zelf bepaald een aanhanger te zijn. Volgens zijn Dagboek bezocht hij séances, maar succesvol waren de manifestaties niet. Uiteindelijk zag hij er om een familiaire reden vanaf; hij realiseerde zich, dat hij tijdens een seance de geest van wijlen zijn vader of moeder zou kunnen ontmoeten; dat wilde hij – uit eerbied – beslist niet. Hij sloot dus de mogelijkheid van zich manifesterende geesten niet uit, het fenomeen behoorde voor hem tot het terrein van de imponderabilia. Zaken waarvan ontstaan, verschijnen en wetmatigheden nog onbekend zijn. Zo kon ook worden uitgegaan van het bestaan van een vierde dimensie, een fenomeen dat door spiritisten graag werd gebruikt.   

Het boek

Hierboven werden zowel het titelblad als de inhoudsopgave genoemd en getoond. Het eerste geeft als ondertitel van het boek ‘Studies, Schetsen en Verzen uit Saksisch Nederland’; het heeft de volgende auteurs: Dr. A. van Veldhuizen, W.H. Heuvel (!), F.C. Crone, Jan Willem uut ’t Goor en anderen. Van Veldhuizen draagt studies bij; meester Heuvel schetsen en G.F. (!) Croone en Jan Willem uut ‘t Goor (pseudoniem voor D.H. Keuper) publiceren gedichten. Redacteur dr. J. Waterink leverde een woord vooraf in tweevoud (‘Een woord vooraf’ en – Saksisch – ‘n Woord veuraf’), hij schreef ook nog twee studies: over het karakter van de Saksers en het Saksische Boerenhuis. De andere op het titelblad  niet genoemde auteurzijn: Ds. W.J.J. Velders, hij schrijft – heel intrigerend - over ‘De Jeude in ’t stedjen’; Heuvels vriend Hendrik Odink over ‘Sunt Joapik’; N.W. van Diemen de Jel filosofeert over ‘En het veroudert niet’. Er zijn ook nog gedichten van Eduard van Empe. L.E. (= Lite Engelberts) beschrijft De Wildenborch en dan zijn er nog twee die wat moeilijk te traceren zijn: Joapek over het onderwijs in: ‘In de schoele veur ’n zestig joar’, eveneens een ’n olen Boer’nknecht die zijn werkzaamheden in de jaren zeventig van de negentiende eeuw  beschrijft. 

Waarom dit boek? We kijken naar het ‘Woord Vooraf’ door Waterink en vragen ons af, of we daaruit iets te weten komen over de stand van het onderzoek in de toenmalige Volkskunde. Daarbij moet natuurlijk Duitse beïnvloeding meegewogen worden. Interessant is ook Waterinks keuze van auteurs; waarom zij en anderen niet? Op het eerste gezicht zit er veel Veluwe en Achterhoek in de verhalen en lijken Groningen en Drenthe wat ondergesneeuwd. In  het kader waarin wij schrijven dringt zich automatisch de vraag op: waarom meester Heuvel? En ja, was Waterink echt zo slordig als in de inleiding van dit artikel wordt gesuggereerd? In dit perspectief bekeken is het gewenst van de auteurs een korte karakteristiek te geven, ook wordt  de bijdrage van een aantal in grote lijnen geanalyseerd.

De auteurs.

Over Waterink werd in de inleiding al iets gezegd. Hij was toentertijd een topper ‘in wording’ en het moet toch wel een eer geweest zijn om door hem om een bijdrage voor de bundel gevraagd te worden. Voor zover valt te zien was daar geen origineel werk bij; de auteurs hadden hun bijdragen aan het manuscript in portefeuille of hadden het eerder gepubliceerd, dat was bij voorbeeld het geval met het werk van meester Heuvel. In 1925 kreeg de bundel zijn uiteindelijke vorm; een jaar later bundelde Waterink een serie over de wijsgerige grondslagen van de opvoedkunde in het eerste deel van zijn Inleiding tot de theoretische paedagogiek, een serie boeken waarover hiervoor al gesproken werd. Het jaar 1926 was ook de take off in de carrière van Waterink zoals het volgende citaat laat zien.

‘Inmiddels had het Gereformeerd Schoolverband het initiatief genomen om opvoedkunde ook aan de VU (Vrije Universiteit DJ.) te doen doceren, en in 1926 besloot men Waterink te benoemen tot buitengewoon hoogleraar in de pedagogiek in de faculteit der letteren en tevens tot buitengewoon hoogleraar in de catechetiek in de faculteit der godgeleerdheid. In zijn op 8 oktober van dat jaar uitgesproken  inaugurele rede ‘Berekening of constructie’ pleitte hij nadrukkelijk niet alleen voor een principiële, maar ook voor een experimentele aanpak van de opvoedkunde. Beide professoraten zou hij 35 jaar lang, tot aan zijn emeritaat op 1 september 1961, bekleden, met dien verstande dat zijn buitengewone leeropdracht pedagogiek op 15 december 1929 werd omgezet in een ordinariaat in de pedagogiek, pedologie en psychotechniek.’

De geesten in het volksgeloof.

Dit is dus de titel van een brochure die Waterink publiceerde in de christelijke brochurenreeks ‘Ons Arsenaal’. We zongen reeds de lof van de nog jeugdige Waterink; we kijken nu eerst naar zijn belangrijkste auteurs: Van Veldhuizen, Heuvel, Crone en Keuper.  Adrianus van Veldhuizen (1871-1937) was in de jaren twintig na predikantschappen in het Friese Molkwerum (1898) en in Almelo (1902) kerkelijk hoogleraar in Groningen geworden, dat gebeurde in 1910. Daarvoor vervulde hij ook nog het rectoraat van de Rotterdamse Zendingschool (1907). De huidige hoogleraar Landschapsgeschiedenis aan de universiteit van Groningen prof. dr. Ir. Theo van der Spek spreekt op internet lovend over Van Veldhuizen, hij was niet alleen theoloog, maar ook een kenner der natuur. Dat waren in die tijd meer predikanten zoals R.J. de Stoppelaar. Het Biografisch Lexicon deel V waarin, eervol, Van Veldhuizen een lemma kreeg, evenals Waterink trouwens, is wat zuinig in zijn oordeel ‘Van Veldhuizen heeft een zekere naam verworven als kenner der natuur.’ Van der Spek is veel robuuster: ‘Van Veldhuizen was voor de Tweede Wereldoorlog een bekende Nederlander’; hij werd één van de bekendste natuurschrijvers van Nederland, toentertijd wellicht de evenknie van de zeer bekend geworden J.P. Thijsse. 

Op zijn eigen site  hoef je Heuvel natuurlijk niet apart te bespreken. Wie wil lezen over Heuvel, die in het midden van de jaren twintig op het toppunt van zijn roem stond – in elk geval in de Achterhoek – kan op de site te kust en te keur gaan. Er is nog wel een aardige bijzonderheid. Het is algemeen bekend, dat Heuvel graag predikant wilde worden en daartoe in 1880 op het instituut Ruimzicht te Doetinchem verbleef. Op deze vooropleiding voor gymnasium en theologische studie bleef hij door heimwee maar een tweetal dagen. Van Veldhuizen volgde op Ruimzicht in de jaren tachtig wèl de route naar het predikantschap, een weg die hem naar de orthodox gerichte theologische faculteit van Utrecht bracht, waarvoor Doetinchem een vooropleiding was. Illustratief is  het feit dat Ruimzicht een aantal dependances in Utrecht had waar predikanten in spé bivakkeerden. Zo ook Van Veldhuizen. 

We zitten wel even met het raadsel Crone.  Op het titelblad staat F.C. Crone, maar de inhoudsopgave achterin het boek  geeft correct  G.F. Crone. Gerhard Filippus Crone, schrijft het Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde  is te beschouwen al een overgangsfiguur naar de 20e eeuw; hij was een 19e-eeuwse traditionalist, maar vertoont ook de kenmerken van de nieuwe tijd. Hij was een verlichte geest die maatschappelijk en politiek actief was. Hij schreef ook in de streektaal bijdragen over Drentse volkkunde, sagen en plaatselijke geschiedenis.  Crone valt in veel opzichten qua opleiding en werk te vergelijken met meester Heuvel. In 1868 behaalde hij een akte voor het lager onderwijs, dat zal voor de laagste klasse zijn geweest, want pas in 1874 volgde de hoofdakte, een veeleisend en kennisgericht examen over een breed scala aan vakken. Modern was hij – als Heuvel – op het vlak van het geven van cursussen landbouw en veeteelt, ook op Landbouwwinterscholen, waar hij bij voorbeeld het gebruik van kunstmest propageerde; het oprichten van coöperaties achtte hij noodzakelijk voor de ontwikkeling van een, in nationaal opzicht, sterke boerenstand. Het is niet vreemd, dat hij, als Heuvel, zich inzette voor de bevordering van de mobiliteit; beiden zetten zich in voor de aanleg van verharde wegen. In hun achterhoofd hadden zij hier natuurlijk ook de belangen van de boerenstand op het oog. Er zou eens nagedacht moeten worden over de spagaat waarin deze schoolmeesters verkeerden: een, zoals uit hun geschriften blijkt, hang naar het verleden vormde daarvan de ene positie, ontwikkeling van een moderne boerenstand de andere. Belangrijk lijkt mij ook de beantwoording van de vraag, waar hun liefde voor de natuur vandaan kwam. De doorsnee antwoorden voldoen hier niet en het is wellicht raadzaam om hier ook hun religieuze instelling in het geding te brengen. Heuvel was in elk geval doorkneed in de theologie van de Groninger richting, we weten dat de vertegenwoordigers daarvan hun blik op de natuur in hoge mate ontleenden aan Martinets Catechismus der natuur. Een Achterhoeker die tot de Biedermeier kan worden gerekend.

We sluiten de voorlopige inventarisatie van auteurs af met Derk Hendrik Keuper (1877-1938) pseudoniem  Jan Willem uut ‘t Goor. Ook hij was onderwijzer, in Dinxperlo. Zijn verhalen gaan vooral over historische gebeurtenissen in zijn woonplaats, meestal grepen uit het dagelijkse leven. Onder de titel Een Schepel Mankzaod (1e druk 1924; 2e druk 1975) en Bi’j den Saksenheerd uit 1937 werd zijn werk gebundeld. Het bevat zowel poëzie als proza. We beschikken naar het lijkt over weinig informatie aangaande Keuper, wellicht is er iemand die het door Henk Krosenbrink begonnen onderzoek kan voortzetten.

Hun werk

Van de hierboven genoemde schrijvers wordt in het volgende een artikel besproken, de bijdragen van de anderen krijgen een korte karakteristiek. Uiteraard beginnen we met Waterink, die de ‘Woorden  Vooraf’ schreef. Die moeten we bekijken, want daar kunnen in elk geval de aanzetten tot beantwoording van de vragen gevonden worden. 

Een Woord Vooraf

De Nederlandstalige versie begint met de constatering dat er in Nederland een groeiende  belangstelling is voor het eigene van Nederland en het eigene van de Nederlanders; Waterink aarzelt zelfs niet de term volksziel  te gebruiken. Die ziel moet de inwoner wapenen tegen moderne verschijnselen, door onderscheid te maken tussen ‘waarheid en logen’, door het harmonieuze te bevorderen; het leven te laten zien ’zonder dat er opzettelijk op den mesthoop wordt verwijld.’ Dat het christelijke karakter van de Achterhoek hierbij behulpzaam is, spreekt voor zich, althans volgens Waterink die ook danst op het (smalle) koord van het racisme – niet in zijn negatieve betekenis uiteraard. Dat mag blijken uit het volgende citaat: ‘Zoolang een ras zich nog gehecht voelt aan eigen zede en gebruik, (…) zoolang is er toch ook hope, dat kwade en nieuwerwetsche zede minder snel doordringt en allerlei uiting van het moderne leven, die een volk en een ras ten verderve kan zijn, minder gemakkelijk zegeviert.’  Veelkleurige wijsheid van God en veelvormige openbaring van Gods beeld zien we (ook) in volkeren en rassen aldus Waterink, die zijn ‘ Een Woord Vooraf’ op basis van het voorgaande positieve oordeel over betekenis en inhoud van het begrip ras eindigt met: ‘Ken uw land (…) en uw volk. Ken uw eigen ras.’ Op velerlei gebieden zou hij daar nu niet meer mee wegkomen.

’n Woord Veurof

De Saksische inleiding is minder principieel dan de Nederlandstalige. Een beetje badinerend is zij ook: sommige Achterhoekers vinden het plezierig stukjes in hun eigen taal te lezen, schrijft Waterink, dat krijgen ze hier. Blijf maar eenvoudig, dan krijgt de buitenwereld geen vat op je, ken vooral je eigen geschiedenis en lees daarover. Dit boek is heel geschikt daarvoor en bovenal, het is amusant: ‘Ve-mààkt oew dan mar met dit boek, leert oew eigen stamme kenn’n en gleuft mar g’rus, daj ok ‘n roepinge hebt oew eg’n gáv’n te gebroek’n in den dienst van God, den oes ‘emaakt hef, zóó, dat ok oeze eigen-oarigheid Hum zol groot màken.’ 

Naast de inleidende woorden schreef Waterink ook nog een artikel: ‘Het karakter van de Saksers.’ De lezer zou in een combinatie van fantasie en Achterhoekse vakantiebelevenissen hetzelfde verhaal hebben kunnen schrijven. Een verhaal met weinig diepgang en veel lucht en leegte. Misschien moeten we zeggen dooddoeners, want de Sakser is fatalistische en een zekere benepenheid is hem niet vreemd. Hij klemt zich vast aan de traditie en Waterink merkt  zelfs nog sporen van een voorchristelijke godsdienst. De stam i.c. het gezin staat voorop; dat is de belangrijkste eenheid die in samenhang met andere gezinnen –letterlijk en figuurlijk - leidt naar een bepaald dorpisme. Benepenheid dus, onzekerheid ook die het Saksische ’Joa, joa’ soms in het tegendeel doet verkeren als er bij moet worden gedacht ‘Joa, joa, vanuit uw standpunt gedacht mijnheer (…).’ Alsof Waterink had begrepen dat zijn karakteristiek van de Sakser bepaald niet vleiend was geweest, beëindigde hij zijn verhaal met een als goedmakertje bedoelde slotalinea waarin hij onder meer schrijft: ‘In het algemeen kan gezegd worden, dat onder het Saksische volksdeel  nog veel volkskracht schuilt. Het goed quantum gezond verstand, de nodige nuchterheid, de trouwhartigheid en het niet spoedig opgewonden gemoed maken den Sakser tot iemand, die zijn plaats als burger met eere inneemt. Maar ook hij moet verstaan worden (…).

Van Veldhuizen vermoeit (…) 

Het verhaal van de Groningse hoogleraar theologie A. van Veldhuizen over de natuur van het Saksische Noord Nederland graaft niet dieper dan dat van Waterink, maar is veel minder speculatief. Hij beschrijft de geschiedenis, de omgeving en de natuur van het kleine landgoed ‘De Adderhorst’ bij het Noord Drentse Tinaarloo (spelling Van Veldhuizen), dat hij had verworven. Zijn geschiedenis is met name een zogenoemde Landschapsgeschiedenis, verhalen over een ogenschijnlijke oernatuur, waarin de mens niet meer betekent dan een stoffage. Godsdienst speelt daarin een ondergeschikte rol en lijkt er met de haren bijgesleept; veel belangrijker is de Volkskunde met zijn verhalen als mythen, sagen en sprookjes welke breed worden uitgemeten, evenals de natuurbeschrijvingen waarvan ik een voorbeeld als karakteristiek van Van Veldhuizens verhaal laat volgen: ‘Onder het water in het veenland is nog een zeer vertakt wortelgestel van het blaasjeskruid, waarvan ge de gele vlinderachtige bloemen in Juni boven het water ziet prijken . Het zijn geen vlinderbloemen, maar ze lijken er op, evenals de vlasbek. De wortels onder water zitten vol blaasjes, die verraderlijke fuikje blijken te zijn. Nietig watergedierte komt er in, maar er nooit weer uit. Laten we niet al te boos zijn op die verraderlijke planten (…).

Deze stijl, bijna voluptueus, boeit een tweetal bladzijden, dus een aantal minuten, maar- heden ten dage – nee, geen zestien bladzijden meer. Let overigens wel: we zijn in de jaren twintig van de twintigste eeuw en de - laat - romantiek heeft onder Duitse invloeden bezit genomen van de Nederlandse natuurschrijvers. Voorbeelden daarvan zijn Van Veldhuizen, De Stoppelaar, Thijsse, bevriend met de romanticus Frederik van Eden, Eli Heimans en de Achterhoekse  meester Heuvel natuurlijk, hoewel die ook wel met de stroming van de Biedermeier wordt geïdentificeerd. Van Veldhuizen was een man van gewicht, niet alleen als theoloog, maar ook als kenner van de natuur. Hij kende ook de idyllische plekjes rondom Goningen en publiceerde daarover. Daarbij behoort ook zijn artikel ‘Eenige noordelijke kerken’ in de onderhavige bundel, dat handelt over de kerken van Anlo, Vries en Haren; ook hier weer een gedetailleerde beschrijving van de geschiedenis en een letterlijk innerlijke en uiterlijke weergave van (de geschiedenis van) de gebouwen. Een ander ‘innerlijk’ van de kerken – te weten wat er geleerd en geloofd en hoe er gehandeld werd – komt niet aan de orde. Beschrijving is het, zonder interpretatie,toch wel het minste wat je mag verwachten van een artikel dat pretendeert enige mate van wetenschappelijkheid te hebben.

Gedichten van Crone

Het zijn er zeven. ‘Uit den Volksmond’ opgetekend staat er nadrukkelijk bij. We zullen nog zien, hoe reëel deze notitie is, waarvan de vermelding alleen al oproept tot nauwkeurig bezien. Een eerste lezing laat zien, dat we te maken hebben met (Noord)-Groningse en Drentse gedichten. Simpele onderwerpen, met name het huwelijk, het hunebed te Borger, Goliath en ‘Moeder en zoon’. De taal, dialect en ABN, is echter verzorgd en stamt eerder van een schrijftafel, dan van een ‘volksmond’, eerder van een schoolmeester dan van een rondreizende volkszanger. Crone had daar natuurlijk een bedoeling mee: het geeft namelijk geen pas om het volkslied en het volksgedicht bij de heffe des volks te zoeken, die te presenteren als kern van de Noordelijke volksziel, daarnaast moet een filter gehanteerd worden: de schrijftafel van de schoolmeester. ‘Het hunebed te Borger’ is een verhaal in het Oost-Drents dialect, geestig van inhoud en door zijn kwatrijnen goed van vorm. ‘Houwelijkspraot’ is Noord-Gronings is een saai verhaal, waarbij PIJT optreedt  als advocaat van de liefde en pleit voor echtelijke harmonie. De andere huwelijksgedichten behandelen bekende themata als: de ‘bruiloftsnodiger’en de beschrijving van een groeiende liefde in: ‘Hou Jan an zien Saor komen is’, waarbij ijspret een belangrijke rol speelt. Dramatisch is het gedicht ‘Moeder en zoon’, larmoyant ook,want de moeder sterft, nadat ze een blik heeft geworpen op de overblijfselen van haar zoon, die zijn benen en een hand heeft verloren: ‘Hij stierf, voor zijn land en eer’ staat er in keurig Nederlands in het zesde kwatrijn, zo keurig, dat het onderschrift ‘Uit den volksmond’ een beetje komisch aandoet en in elk geval niet geloofwaardig is, evenals het gedicht ‘Goliath’ dat in de reeks gedichten opduikt als een Fremdkörper, maar een opwekkend einde heeft: 

Wie kampt met God, voor wet en recht,

Behaalt de Zege in elk gevecht.

Jan Willem uut ’t Goor (ps. voor D.H. Keuper)

Hij was een originele verhalende dichter in wiens werk soms lyrische gedeelten opduiken. Zo ook in deze bundel, waarin hij in het gedicht ‘’De Stuultjesklokke’’ dingen en dieren de baas doet zijn en de mens (Grootjen) de kamer min of meer stoffeert. De dingen de baas (…)’’

‘‘De ketel, boven ’t heerdvuur

Gansch lege neer eschort

Dacht: ‘A’k now ook niet zinge,

Dan doe’k mi’j zelf te kort.’

Ens, tweemoal klonk zien piepstem,

Alsof hie hoast niet dorst,

Moar heel gaw zong hie wakker

Ook met uut volle borst’ ‘’

De stoeltjesklok is de hoofdpersoon in het gedicht: hij tikt de tijd, slaat de uren, ziet geslachten ‘henne goan’ met hun zorgen en vreugde, met hun vrede en strijd. Hij ziet de mens, hij ziet zijn hart, hij ziet geen verandering: Geen n’js kan zie ontdekken in ’t olde menschenhart. Van vooruitgang is ook geen sprake zoals ook blijkt uit andere gedichten. De weemoed overheerst in verhalen als ‘De ontginningsziekte’, waarin de aftakeling van het landschap wordt beschreven en ‘Onder ’t boezemkleed’ schetst het vergeten van het verleden, de teloorgang van de geschiedenis, met name de geschiedenis van het volk en zijn gebruiken. Het is ook het afscheid van heksen, zwarte katten, dwaallichten en spoken of wedergangers, het afscheid nemen van een andere werkelijkheid en de spijt die doorklinkt in de gedichten van D.H. Keuper wordt in zijn gedichten fraai verwoord. Een volkomen dichter in de stijl van Starings verhalende poëzie.

De anderen

De verder door mij niet behandelde, maar overigens wel genoemde auteurs toets ik aan de presentie in het Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde. Ds. W.J.J. Velders, auteur van ‘De Jeude in ’t stedjen’ komt daarin niet voor, als predikant eveneens niet in het Biografisch lexicon, terwijl op Google nauwelijks hits voorhanden zijn. Eduard van Empe draagt enkele gedichten in dialect bij; hij staat niet in het personenregister van het Handboek, ook niet onder zijn pseudoniem Tony Lammers. Vermeldingen op Google laten zien dat hij een niet onbelangrijke Nederlandstalige dichter was. Belangrijk is ook L.E., pseudoniem voor Lite Engelberts, of beter nog Frauck, Juliana, Geertruida, Wilhelmina, Constantia Engelberts (1880-1929), een zwaar onderschatte auteur, zoals ik in mijn Heuvel hervonden heb laten zien; zij gaf hier een historisch-romantisch beeld van de Wildenborch. 

Tot zover de niet-genoemden in het Handboek. Wie treffen we daarin verder nog aan? Hendrik Odink, leerling, vriend en epigoon van meester Heuvel, N.W. van Diemen de Jel, bekend door in de omgeving van Winterswijk spelende romans en twee anonieme schrijvers: ‘Joapek’, die schoolherinneringen ophaalt en ‘’n olen Boer’nknecht’ die zijn jongelingsjaren op de boerderij in Ambt-Hardenberg (het platteland rondom Hardenberg) beschrijft.  Wie vulden de meeste bladzijden? De hoogleraren natuurlijk: Waterink met twee ‘Woorden Vooraf’en twee artikelen; nog meer bladzijden vult Van Veldhuizen in maar liefst drie bijdragen. En dan meester Heuvel en zijn leerling en vriend Hendrik Odink, twee voor de prijs van één kan men zeggen, want de beide zo verwante Achterhoekers vulden met hun zestig bladzijden 20% van het boek. Met het werk van de beide andere Achterhoekers, Keuper en van Diemen de Jel,  meegerekend, komen we op zo’n honderd pagina’s, één derde van het werk.

Een optocht

Folkloristische optochten waren in de jaren twintig en dertig populair. Bekend werd de optocht van Borculo in 1928 die ook op de film werd vastgelegd. De etnoloog Albert van der Zeijden wijdde een mooi artikel aan dit gebeuren en droeg daarmee bij aan de verankering ervan in de (regionale) geschiedenis. Met enige fantasie kan men ook het boek Bij ons in het land der Saksers  als een optocht beschouwen, beter wellicht – afhankelijk van de fantasie van de lezer - als een soort tableau vivante, want de behandelde onderwerpen lenen zich daarvoor bij uitstek: ‘de natuur van het Saksenland, de school in het verleden, een hunebed, een Saksische bruiloft, heiligendagen, het interieur van een boerderij, de moderne tijd, het boerenleven, kerken, marktleven, Borculo na de ramp.’ Veelal verhalen over het verleden, een verleden dat zo vastgelegd werd. Door het ontbreken van het visuele element nog geen echte musealisering, geen (levende) optocht, maar op de vleugels van de fantasie tòch: een verbeelding.

Waterink en Heuvel

Waterink, grootgebracht in Overijsel, het land der Saksers, liet in de bundel zijn blijvende liefde voor het platteland zien. Ook zijn liefde voor Noord- Oost Nederland, het Saksenland, waarvan de waarden bedreigd werden door het moderniseringsproces. Er moet in zijn leven een bepaalde mate van gespletenheid zijn geweest, werkend in Amsterdam in het universitaire milieu maakte hij kennis met de modernste inzichten en op bepaalde terreinen verwerkte hij die ook. Daarnaast en daartegenover de Oost-Nederlandse plattelandscultuur die zijns inziens bedreigd werd en om behoud vroeg. Het is de vraag of de publicatie van dit boek daartoe heeft bijgedragen; waarschijnlijk wel, want het paste in de tijd en ondanks zijn slordige karakter landde het in bepaalde volkskundige kringen.  Waterink zat in een spagaat, in wezen een onmogelijke positie die ook meester Heuvel trof, hier de belangrijkste representant uit het niet-universitaire milieu en als zodanig ook door Waterinks bundel erkend. Heuvel is een intrigerende persoonlijkheid die nog lang niet volledig in beeld is; wel weten we dat ook hij, als Waterink, in dezelfde positie verkeerde. Verlangend naar een geïdealiseerd verleden, overzichtelijk en evenwichtig, ruimte biedend voor reflectie moest hij jongeren onderwijzen in de nieuwst technieken op het gebied van landbouw en veeteelt. Op de Rijks Hoogere Land-Tuin- en Boschbouwschool te Wageningen, waar hij zijn landbouwakte behaalde, werd hij ondergedompeld in het moderniseringsproces op landbouwkundig gebied. (Hoog)leraren als dr. J. Valckenier Suringar gaven les in het Darwinisme en in de modernste filosofische inzichten, een terrein waarop ook Heuvel zich later zou bewegen. Ook voor hem gold het spleen van de moderne tijd, dat sommigen treft. Het zou mij niet verbazen als hij een uitweg uit het dilemma heeft gezocht in theologische en filosofische geschriften, waaruit hij een eigen overtuiging distilleerde. Een onderwerp overigens voor nadere bestudering van deze unieke persoonlijkheid.    

Dit is de titel van een boek van prof. dr. Jan Waterink. De apostrof is onjuist geplaatst en de hier gebruikte ondertitel klopt niet. Die luidt officieel: Studies, Schetsen en Verzen uit Saksisch Nederland. De pseudo ondertitel is overigens origineler, speelser, leniger, dus beter. Die komt dichter bij de oorspronkelijke bedoeling van de auteur: plaatsbepaling c.q. positionering van het Saksisch tegenover de ‘beide ‘ Rijkstalen Nederlands en Fries.

 We raadpleegden de veel meer gebruikte uitgave van 1929, er is ook een ‘volksuitgave’ die, behalve het Woord Vooraf’ in niets verschilt van de officiële uit 1929. 

 ‘Oer Lauwerse’ is het gebied ten oosten van de rivier De Lauwers, grensrivier tussen Groningen en Friesland.

 Het eerste deel van zijn Inleiding tot de theoretische paedagogiek verscheen in 1926

 Zie: E. Mulder, ‘Waterink, Jan (1890-1966), in Biografisch Woordenboek van Nederland.URL:http//resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn4/waterin [12-11-2013]

 Hij adviseert degenen die er geen oordeelkundig gebruik van kunnen maken zich verre te houden van de door hem geciteerde literatuur. Daaronder dus ook Heuvels Volksgeloof en Volksleven. Zie: Waterink, De geesten in het Volksgeloof 3.

 De geesten in het Volksgeloof 3.

 Zie Derk Jansen, Heuvel hervonden. Over leven en werk van meester Heuvel, Doetinchem 2009, 133, 134.

 De geesten in het volksgeloof, 46 - 48

 Idem, 49

 Volksgeloof en Volksleven, 228, 229

 Imponderabilia. Letterlijk: onweegbare stoffen; figuurlijk: zaken, die hoewel aanwezig, niet aanwijsbaar zijn.

  Bij voorbeeld K. ter Laan en E.J. Huizenga-Onnekes, beiden bekende dialectschrijvers uit de provincie Groningen.

 ‘Hoe meester W.J.C. van Wijngaarden uit Rijssen zijn land zag.’; ‘Wat er van oud Borculo verloren ging door de cycloon van 10 Aug. 1925’.

 Biografisch Lexicon I, 362, 363 (J.J.Kalma)

 Bovendien is er – ruim genomen – in het laatste decennium veel aandacht aan hem besteed: Ben van Dijk, Stef Grit: Hendrik Willem Heuvel, een bijzonder mens, 2006; Derk Jansen, Heuvel hervonden, 2009; Jaarboek Achterhoek en Liemers (38) nov. 2014, zes bijdragen over Heuvel; In het voetspoor van Heuvel, 2017 –  ‘Beste Boek Achterhoek en Liemers 2017’ -.

 Handboek, 372

 Dezelfde, 406

 Bij ons, in t’ land der Saksers, 6

 Idem

 Idem, 8

 Idem, 12

 Idem, 29

 Het Utrechts archief heeft de volgende gegevens: Ds. W.J.J. Velders, geb. te Doesburg op 10 febr. 1882 overleed te Rotterdam op 5 febr. 1939. Hij werd na een loopbaan in de handel beroepbaar op art. 8 K.O (singuliere gaven). Werd op 2 nov. 1919 pred.te Rottevalle, te Amsterdam op 28 juni 1922. Volgde een opleiding aan het Institutum Judaïcum te Leipzig – prot. opleiding voor zending onder de Joden. Nam afscheid van Amsterdam op 23 juni 1926.

 http://www.albertvanderzeijden.nl/Borculo.htm

 Biografisch Lexicon V, 556-558 (H.C. Endedijk)

 Het paste in een tijd dat in Duitsland de Volkskunde een soort renaissance beleefde in de vorm van regionale Heimatbücher. Waterinks boek is gevormd naar het Niedersäksisches Heimatbuch en vervolledigt het beeld dat door het Duitse boek werd geschetst. Omdat de indruk bestaat dat de auteurs bijdragen afstonden die zij in stock hadden of al eerder gepubliceerd (Heuvel) wekt de uitgave de indruk te schuren langs het beeld van haast- en maakwerk.