Zowel pelgrim als harpenaar.

Uit het leven van Hilbrandt Boschma: de evangelist van Ruurlo.

door Derk Jansen

Een man met ‘singuliere gaven’. Dat was Hilbrandt Boschma, ook wel genoemd: De evangelist van Ruurlo. Hij zag op 5 augustus 1869 het levenslicht in het Friese Kubaard, een dorpje gelegen tussen Bolsward en Leeuwarden, waar zijn vader een kleine boerderij bezat. Erg royaal zal hij het in zijn jeugd niet hebben gehad, want op latere leeftijd schrijft hij over de ‘armelijke omgeving’ waarin hij werd geboren.[1] In de jaren 1885-1895 was hij militair, hij zwaaide af als sergeant en werd vervolgens onderwijzer in het Zuid-Hollandse Ouddorp en daarna te Meppel in 1902.  Beide scholen gingen uit van een ‘Vereeniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met den Bijbel’. In 1900 had hij te Brielle de akte godsdienstonderwijs behaald en na een driejarig verblijf te Meppel werd hij in 1905 voorganger van de orthodox-hervormde evangelisatie in het vrijzinnige Ruurlo. Naar eigen zeggen kon hij niet zo goed opschieten met de toenmalige hervormde predikant.[2] Te Ruurlo stond hij onder de bescherming van baron Willem en freule Marie van Heeckeren van Kell.[3] In deze plaats bleef hij meer dan dertig jaar; in 1938 legde hij zijn bediening neer en verhuisde naar Hilversum. Zijn kleine pensioen[4] dwong hem ertoe tot zijn dood op 9 december 1954 voornamelijk van de pen te leven. Boschma was een uitermate vruchtbaar publicist; zo gaf hij ruim dertig jaargangen van het maandblad Licht en Liefde uit, een periodiek die hij zelf volschreef. Op zeventigjarige leeftijd memoreerde hij ‘duizenden geschriften’ in het licht te hebben gegeven, maar enige overdrijving zal  hieraan niet vreemd zijn geweest.[5] Hij wordt beschouwd als de vader van het christen antimilitarisme en was één van de belangrijkste propagandisten van de vereniging Kerk en Vrede.

Deze, en andere gegevens staan geregistreerd  in het vierde deel van het Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme.[6] Het aan hem gewijde lemma geeft een mooi overzicht van zijn groei naar het antimilitarisme, en treft door een intrigerende zinsnede over het spiritisme. We lezen daar namelijk:

                    Hij had een deels liberale, deels orthodoxe achtergrond

                    en rekende zich tot de ethisch-orthodoxen. Hij voelde

                    zich verbonden met de plattelandsbevolking waar

                    hij uit voortkwam. Haar vragen, zoals die over het ster-

                    ven en een voortbestaan na de dood, waren de zijne.

                    De antwoorden zocht hij in het spiritisme. (curs. DJ)

Aan de hand van dit citaat kunnen diverse vragen gesteld worden, maar we beperken ons tot die welke in verband staan met Boschma’s belangstelling voor het spiritisme: hoe serieus was zijn interesse voor het verschijnsel en waar kwam die vandaan; welke rol speelde het in zijn leven en is het fenomeen voor hem van blijvende betekenis geweest ?[7]

Een beeld van Boschma.

Alvorens op zoek te gaan naar de antwoorden stellen we echter het beeld van Boschma wat scherper door na te gaan wat brieven van hem aan een zekere Jarich Beswerda en de dichter/journalist, het Tweede Kamerlid en de antimilitarist Fedde Schurer ons hierover te zeggen hebben.[8] Vooraf gaat echter een aantal opmerkingen  over de periode, dat hij te Ruurlo evangelist was.

De titel van deze bijdrage is ontleend aan de preek die Boschma op 2 februari 1930 daar uitsprak in de Kapel van de hervormde evangelisatie. Hij herdacht zo het feit, dat hij 25 jaar voorganger was geweest en in zijn preek balde hij zijn ‘Sitz im Leben’ als volgt samen:

                    Ten eerste, dat het al deze jaren mijn streven is geweest

                    om een zeer eenvoudig en sober evangelie te verkondigen.

                    Ten tweede, dat dit streven mij in menig opzicht bij alle par-    

                    tijen tot een vreemdeling heeft gemaakt.

                    Maar ten derde, dat nochtans dat evangelie na 25 jaren nog

                    in mijn ziel weerklinkt als een goddelijk levenslied van steeds

                    stralender en inniger schoonheid. Zo ben ik deze 25 jaren in

                    uw midden een pelgrim geweest, maar tevens een harpenaar

                    die kan zeggen; ‘Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest

                    ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

Officieel was Boschma op woensdag 5 februari 1930 een kwart eeuw in dienst van de Evangelisatie van Ruurlo, waar hij toentertijd werd bevestigd door ds. B. de Planque van Zelhem. Het pièce de résistance van de dienst van zondag 2 februari was natuurlijk de herdenkingspreek, waarin hij ook terugzag op hetgeen was bereikt en de namen noemde van degenen wie hij in het bijzonder dankbaarheid verschuldigd was. Zoals die van zijn beste vriend Rein Klazes , bestuurder van de Evangelisatie en hoofd van de christelijke school in de Veldhoek, een buurtschap onder Ruurlo. Die van juffrouw Koos Enklaar, de trouwe organiste en jarenlange leidster van de Zondagsschool, de dochter van de architect van Huis Ruurlo Ook de overleden bestuurders werden gememoreerd[9] en uiteraard de stichters van de Evangelisatie. Hierboven noemde ik reeds leden van de familie Van Heeckeren van Kell, maar warme gevoelens koesterde Boschma ook jegens de voormalige burgemeester van Ruurlo baron L.G.A d’ Hangest d’ Yvoy, ‘die in ons midden eerst gepredikt heeft door zijn trouw en edel leven, en die na zijn dood, door het witte kruis met de naam ”Jezus” daarop, de evangelist is geworden van ons Ruurlosche kerkhof’.[10]  

De woensdag daarop kwamen de leden van de Evangelisatie bijeen om Boschma’s jubileum te vieren. Hij werd daar toegesproken door de barones A.O.F. d’ Yvoy, Rein Klazes, zijn Amsterdamse vriend Pieter Jelles Wierstra, de ethisch-orthodoxe voorganger van Zevenaar ds. Wartena en de dichter en ethisch-vrijzinnige predikant Jac. J. Thomson, wiens woorden hem het liefst waren, zoals Boschma zelf schrijft.[11] De toespraak van barones d’ Yvoy is bewaard gebleven en aan de hand van deze tekst kan nog een aantal opmerkingen gemaakt worden over Boschma’s faits et gestes te Ruurlo en in de wereld daarbuiten.[12]

Zij begon met het uitspreken van haar hartelijke waardering voor het vele werk, dat hij in en voor Ruurlo had verricht en loofde zijn arbeid voor het maandblad Licht en Liefde, waardoor hij eigenlijk de evangelist van Nederland was geworden met een lezersschaar, die tot over de grenzen reikte. De jubilaris mocht aan de vele blijken van belangstelling, ook uit de lezerskring van Licht en Liefde, zien ‘hoe onze getrouwe God, uw werk heeft willen zegenen’. In de toespraak werd verwezen naar degenen die hem schriftelijk hadden gelukgewenst en uit een van die brieven werd omstandig geciteerd. Daarin werd onder andere gezegd: ‘Thans maak ik een Giro gereed en is de helft van den bekenden teekenaar Albert Hahn Jr., wien ik vaak op zijn atelier uit ‘Licht en Liefde’ heb voorgelezen en die zich, religieus als hij zich voelt, telkens verkwikt heeft aan de steeds frissche en lentelucht aanbrengende verklaringen uit het Heilige Boek, dat voorgeslachten heeft bezield en gesterkt, en dat door een profetisch man als Hilbrandt Boschma bij het jongere geslacht nieuwe bezieling mag wekken’. Ook noemde de barones in haar toespraak de predikant Gunning, ‘want door Ds. Gunning is Ruurlo aan Hilbrandt Boschma gekomen’. Naar alle waarschijnlijkheid verwees ze hier naar Johannes Hermanus Gunning (1858- 1940), de zoon van de bekende hoogleraar in de theologie.[13] Zij besloot haar toespraak met een warm en hartelijk ‘God zegene U en schenke U kracht en opgewektheid om nog vele jaren Uw arbeid voort te zetten, tot eer van Hem, tot zegen van Ruurlo, tot zegen van alle lezers van ‘Licht en Liefde’. Boschma zou nog acht jaren blijven. Licht en Liefde bleef, na begonnen te zijn in 1914, tot 1948 bestaan.     

Brieven.

In zijn brief aan Jarich Beswerda[14] van 7 augustus 1939 vertelt hij over zijn ouders, in het bijzonder over zijn vader die in de buurt van Kubaard boer was geweest maar door allerlei tegenslagen zijn bezittingen moest verkopen. Na diverse omzwervingen vestigde het gezin zich te Tzum, ten zuidoosten van Franeker’ en daar onderging hij, die een echte Tzummer jongen was geworden- naar eigen zeggen -invloed van een zekere Oepke Bijlsma: ‘een vrome man (…); die heeft op mijn jongensleven veel invloed gehad’. Hij refereert ook aan zijn antimilitarisme en hoe in 1914 na de publicatie van de in eigen beheer uitgegeven brochure Oorlog en christendom. Een getuigenis[15] een groot deel van de kerk over hem heen viel, ‘omdat ik openlijk heb gezegd, dat de ene mens de andere niet mag doodslaan. Dat had ik als jongetje altijd gelezen in de kerk op het ‘Wetsboerd’ (een bord met de Tien Geboden) te Welsryp, en ik dacht dat dat Woord nu ook gelden moest’. Vooral met predikanten kreeg hij het te kwaad, zij bestempelden hem als socialist, dus als oproerkraaier.

De kritiek kwam vooral van buiten Ruurlo, want in dit dorp ondervond hij slechts vriendschap, hartelijkheid en waardering. Dit zijn woorden uit de herdenkingspreek van 2 februari 1930[16], maar vijf jaren later, in een brief aan Fedde Schurer tapt hij uit een ander vaatje.[17] Hij neemt dan de leden van de Evangelisatie van Ruurlo op de korrel. ‘Het is een kringetje dat bij overlevering orthodox is, maar zonder kracht van beginsel. (…) zonder iets van de kracht van overtuiging en der hartstocht, die indertijd de kracht van de doleantie uitmaakte. Ik merk na dertig jaren, dat ik hier toch niet thuis ben, en nooit geweest ben’. Duidelijker kan het nauwelijks gezegd worden: in Ruurlo was Boschma, als een pelgrim, op doortocht.

Sympathie van zijn gemeenteleden was er overigens wel, zeker waar het ging om zijn prediking, en wat hem werkelijk bewoog werd door hen wel gewaardeerd, ‘maar niet opgenomen in de kring van hun eigen denkbeelden. Zo weet men bijv. heel goed, dat ik socialist ben, maar beschouwt dat als iets dat men goedig op de koop toeneemt. Evenzo is het met mijn antimilitairisme. Men heeft me er nooit lastig om gevallen, maar men heeft zich ook nooit aan mijn zijde geschaard, een enkele dan daargelaten. Socialisme en antimilitairisme liggen den boeren dan ook niet’.[18]

Geen waardering dus van predikanten, behalve dan van een aantal veelal radicale vrijzinnigen als L.A. Bähler (christen-anarchist), J.B.Th. Hugenholtz (christen-socialist), die een boezemvriend van hem was en de reeds genoemde Jac .J. Thomson (ethisch-vrijzinnig, maar wel ‘rood’)[19], die qualitate qua en naar de mening van velen zijn antipoden moesten zijn, maar met wie hij zich één voelde in het verlangen naar God en de openbaarwording van diens heerschappij. Met hen voelde hij zich meer verwant dan de mensen van zijn eigen richting, de ethisch-orthodoxen, tot wie hij met Nicolaas Beets zou willen zeggen:

                    

                     Gij zijt wel mannen van mijn richting,

                     Maar zijt geen mannen naar mijn hart.

Vooral Thomson was het geweest, die hem de schoonheid van het evangelie had laten zien, zijn arbeid in goddelijk perspectief had geplaatst en hem zo geholpen in zijn ambt te blijven volharden.

De evangelist

Zijn ambt was dat van evangelist.[20] In zijn jeugd had hij gezien, dat rijken en intellectuelen op godsdienstig gebied nogal wat noten op hun zang hadden, maar tevens begrepen dat de eenvoudigen van deze wereld behoefte hebben aan een zeer eenvoudig evangelie.[21] Hij zag het als Gods leiding in zijn leven, dat hij niet werd opgeleid voor predikant, maar voor evangelist, liever nog- gezien de pretentie van de laatste naam –voor catechiseermeester. De predikant doordenkt het christelijk geloof en daalt af in de bijzonderheden daarvan. De catechiseermeester hoefde van oorsprong aan de mensen niet meer te leren dan de Twaalf Artikelen, de Tien Geboden en het Onze Vader. ‘En van al het andere kon hij zeggen: Daar heb ik niets mee te maken! Zoo is dus het bijzondere van de evangelist, dat hij de wacht heeft te houden bij de allereenvoudigste beginselen des Evangelies, bij de postulaten, bij het ABC van het Christendom’[22].

Dat ABC geeft Boschma weer door het tekenen van een lange lijn, de lijn der tijdelijkheid, die ons aardse leven voorstelt met daarboven een cirkel, de cirkel der eeuwigheid. ‘En nu is deze cirkel der eeuwigheid neergedaald op deze lijn der tijdelijkheid, neergedaald, neergedaald totdat zij haar geraakt heeft in één punt der wereldgeschiedenis, in één menschelijk leven, het leven van Jezus Christus’.[23]

                                                                 O

Dat is het punt waarbij hij de wacht wilde houden, daar waar de cirkel van de eeuwigheid in aanraking komt met de lange lijn van de tijdelijkheid en de krachten van de eeuwigheid in de naam van Jezus indalen in de tijdelijkheid. 

                      

Met de komst van Jezus was voor Boschma het Godsrijk werkelijkheid geworden. Daarbij beriep hij zich op teksten als: ‘Het koninkrijk Gods is nabij gekomen’ (Marcus 1;15; Lucas 10:9, 11; 21:31), ‘Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u’ (Lucas 17:21) en ‘Wie zal in de afgrond nederdalen en het [ koninkrijk Gods] uit de diepte omhoogvoeren? Want het is zeer nabij u, in uw eigen mond en in uw eigen hart’ (Romeinen 10:7). Het Nieuwe Testament bevatte zijns inziens een blauwdruk van dat koninkrijk: de wetten die daar heersen vinden we in de Bergrede, het wezen en karakter van dat koninkrijk verhaalde Jezus in zijn gelijkenissen, de krachten van dat rijk demonstreerde hij door middel van zijn wonderdaden, door zijn dood aan het kruis ging hij zijn volgelingen voor in de strijd tegen zonde en wereld, dood en dodenrijk, krachten dus die de komst van het rijk van God in de weg stonden. En tenslotte, door zijn opstanding heeft hij laten zien, dat hij deze machten heeft overwonnen en zo voor de nieuwe wereldorde de weg gebaand. De vraag of we hier nu echt met orthodox gedachtegoed te maken hebben dringt zich hier op en zal in het vervolg nog aan de orde worden gesteld.

Een blauwdruk is een tekening, een schets, een richting, maar vraagt om uitwerking. Boschma heeft die gegeven in een drietal leefregels, normen dus, die opvallen door hun strenge en absolute karakter.

  1. dat de mens eerbied behoort te hebben voor het leven van zijn medemensen en hen dus in geen geval mag doden;
  2. dat men zijn vijanden vergiffenis behoort te schenken, ook in het gemeenschapsleven, en dat dus alles, wat wij thans ‘straffen’ noemen, niet ten doel moet hebben om hun het kwade, dat zij deden, te vergelden, maar om hen te helpen, te bekeren en te genezen.
  3. dat men hier op aarde een sober leven behoort te leiden en er naar moet streven om door middel van nuttige arbeid meer aan de gemeenschap te geven, dan men daarvoor terug-ontvangt, en niet omgekeerd.[24]

Dit zijn voor hem de grondslagen van het nabije en komende Godsrijk en hier weer de vraag: wat is het orthodoxe karakter van dit alles, de Godsnaam wordt niet genoemd en hier prevaleert het tweede gebod. Zowel op het eerste als op het tweede gezicht hebben we hier met zuiver humane denkbeelden te maken.

In het bovenstaande lijken de motieven voor Boschma’s antimilitarisme volstrekt duidelijk en het wordt nu zaak om het eigenlijke doel van dit onderzoek, zijn mogelijke affiniteit met het  (wetenschappelijk) spiritisme- en ook met de parapsychologie -aan de orde te stellen.

Spiritisme en parapsychologie

Boschma’s kennismaking met de evangelist èn spiritist J.J. van Broekhoven (1867 - 1930) zal in tweeërlei opzicht voor hem van betekenis zijn geweest. De laatste woonde en werkte in het Overflakkeese dorp Melissant van 1893 – 1904, dus in de periode dat Boschma in het nabijgelegen Ouddorp onderwijzer was (1895 – 1902). Mogelijk stimuleerde Van Broekhoven zijn vriend Boschma[25] tot studie voor de akte godsdienstonderwijs, in elk geval bracht hij hem in contact met de toen reeds bejaarde, maar nog steeds vermaarde spiritualiste Elise van Calcar,[26] waarna correspondentie met haar volgde. (zie bijlage C)

Die contacten waren door het spoedige overlijden van Elise in 1904 niet blijvend, maar hadden dat ook nimmer kunnen worden. ‘Hij is orthodox met sympathie voor het Spiritualisme’ is er wel eens van Boschma gezegd, en een dergelijke houding had Elise nimmer geaccepteerd. Zij eiste volledige overgave aan een haar inziens heilige zaak. Haar Haagse séancekring was dan ook niet vrij van byzantinistische trekjes. Boschma zou zich van weeromstuit  onbevredigd hebben gevoeld bij Elise’s Openbaringsspiritisme, dat wetenschappelijkheid ontbeerde. Hij richtte zich op het wetenschappelijke spiritisme en de parapsychologie.

Voor alle duidelijkheid zij hier vermeld, dat sporen daarvan ook al in zijn getuigenis tegen het militarisme, Oorlog en Christendom, te vinden zijn. Dat zien we bij voorbeeld aan een aantal namen die in de brochure voorkomen, zoals die van de predikant Louis A. Bähler, de schrijver van het- waarderende -voorwoord, christen-anarchist en antimilitarist, maar tevens aanhanger van theosofie en spiritisme.[27] En die van de befaamde journalist en vredesactivist William T. Stead,[28] die tevens een grote naam was in het spiritisme. Opvallender nog is zijn verwijzing naar het psychisch monisme van Gerard Heymans[29], een leer, waarin spiritistische (animistische), maar vooral parapsychoIogische elementen een rol speelden. We zijn dan in de aanlooptijd naar het ontstaan van de Studievereeniging voor Psychical Research (1920), die in zijn beginjaren onder voorzitterschap van Heymans stond. Zoals we nog zullen zien wensten (wetenschappelijke) spiritisten door de parapsychologie volstrekt ernstig te worden genomen.[30]

Uit het hier volgende vrij lange citaat kan iets van Boschma’s affiniteit met het psychisch monisme geproefd worden.

     ‘Het moet ieder die nadenkt toch duidelijk worden, dat ondanks al onze kennis van cijfers en feiten en al onze studie het verloop der wereldgeschiedenis gaandeweg aan den greep van onze handen ontsnapt; een bewijs dat zij niet beheerscht wordt door wat wij in menschelijke formules uit kunnen drukken, maar door occulte spiritueele krachten, van wier samenhang en werking we nauwelijks eenig begrip hebben.

     De stille gezindheden, de wenschen en gedachten der menschen zijn voor het verloop der geschiedenis van oneindig meer beteekenis dan de stoffelijke voorwaarden waaronder wij leven.

     “Hoor toe, o aarde!” sprak God oudtijds, “ zie ik breng een kwaad over dit volk, “de vrucht hunner gedachten! “

     Wij hebben altijd gemeend dat we konden denken wat wij wilden. Gedachten, zeiden we, zijn tolvrij.[31] Maar onze oude Bijbel en de nieuwere psychologie leeren ons met ontzettenden ernst  dat onze gedachte en onze gezindheden wel verre van met den wind te vervliegen, worden opgenomen in den ether en daar hun vruchten voortbrengen even werkelijk en waarachtig als het koren en de wijndruiven, die rijpen op onze bergen. De gedachten en gezindheden der menschen vormen stroomingen in de ether-atmosfeer die onze aarde omgeeft, even geheimzinnig in hun komen en hun gaan, even schrikkelijk soms in hun uitwerking, als de stroomen die uitgaan van de stations voor draadlooze telegrafie, die naar men wil de oorzaak kunnen zijn dat schepen op duizenden mijlen afstands in den oceaan in brand raken’.[32]

Oorlog is belangenstrijd, schrijft Boschma en het vervolg daarop- geen metafoor mijns inziens -luidt dan:

“De belangenstrijd leidde tot bewapening, om aan de verschillende vorderingen kracht bij te zetten; de bewapening vervulde op haar beurt de geestelijke atmosfeer met een ontzaglijke spanning van wantrouwen, en uit de electrische spanning van het wantrouwen sloeg eindelijk de bliksem van den oorlog”.[33]

De brochure Oorlog en Christendom sloeg in als een bom, en bezorgde Boschma  landelijke bekendheid. Uiteraard vielen orthodox en martiaal Nederland over hem heen, maar ook lieden die congeniaal waren spaarden hun kritiek niet. Een van hen was de predikant Année Rinzes de Jong (1883 – 1970), eveneens pionier van het christen antimilitarisme in Nederland.[34] Deze was teleurgesteld, omdat het pamflet niet verder kwam dan bezinning en niet opriep tot de daad:

‘Waarom hebt gij niet geconcludeerd: een predikant, die waarlijk christen wil zijn, moet koningen en keizers, vriend en vijand in het aangezicht weerstaan, als het gaat om trouw aan de geboden Gods? En zijn prediking moet een vlammende principieele aanklacht zijn tegen alle gesystematiseerde zelfzucht en haar verdediging met het zwaard? Nog eens, waarom hebt gij niet geconcludeerd: een christen, die waarlijk christen wil zijn, moet dienstweigeren aan degenen, die hem roepen zijn leven te offeren aan beginselen, die met het beginsel der eeuwige Liefde strijden’.[35]

Op de Rozenhoeve

Spraken we aangaande het spiritisme en het paranormale over sporen in zijn anti-oorlogspamflet, in het boekje Op de Rozenhoeve, eveneens uit 1914, neemt Boschma duidelijker stelling. Het werk, 118 pagina’s verdeeld over zeven hoofdstukken,[36] is een soort raamvertelling die, de ondertitel zegt het duidelijk, eenvoudige gesprekken over het leven na de dood bevat. De invloedrijke en later omstreden predikant dr. G.H. van Senden[37] karakteriseerde het in het tijdschrift Omhoog als volgt: ‘…van dit boekje kan zegen uitgaan. De menschen, erin beschreven, zijn sympathiek. Om hunne trouwhartigheid, hunne diepte aan gemoed; hunne tederheid en kiescheid van gevoel ook, eigenschappen, te veel gemist in den omgang, juist van familieleden. Over het gansche geschrift ligt iets van wat Goethe “reine Menschlichkeit” zou noemen. Enkele bladzijden zijn van grote aandoenlijkheid. Ik geloof dat weinigen dit boekje te lezen vermogen, zonder er beter door te worden’.[38] Opvallend is, dat bij de derde druk Boschma een achtste hoofdstuk toevoegde dat de spiritistische, maar vooral paranormale noties van de zeven voorafgaande hoofdstukken uitbreidt en verdiept.

Centrale figuur in het boek is de 73 jarige boer Hendrik, die in gesprekken met zijn kinderen en kleinkinderen zijn visie op het leven na de dood ontvouwt. Hij spreekt over de ontwikkeling van de ziel na de dood (15): ‘ontwikkelt zij zich naar God henen, dat is de hemel; ontwikkelt zij zich van God af, dat is de hel. En een van tweeën is met iedere ziel het geval.’ (68) Een andere spiritistische notie is die van het nauwe verband dat bestaat tussen een natuurlijk en een geestelijk lichaam: er is een natuurlijk lichaam en er is (let wel: - niet: er komt , maar er is) een geestelijk lichaam. (45) Er is ook, heel eigentijds eigenlijk, sprake van bijna-dood ervaringen, zoals het zien van het Land der Toekomst (31) met daarin de herkenning van gestorven familieleden (81). Uiteraard wordt er (67) gesproken over ‘Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien’[39] en ook andere spiritistische terminologie valt op, waar gesproken wordt over het Land van de Eeuwige Zomer, het bij spiritisten geliefde Zomerland. We raken de kern van de zaak als we zien hoe de oude boer zijn boekenkast monstert. Met ingenomenheid wijst hij op de werken van Friedrich Christoph von Oettinger (1702-1782), deze preekte op begraafplaatsen, omdat ‘zelfs de geesten der ontslapenen kenbaar waren’, op de Noorse geestenziener Emanuel Swedenborg, op Johan Friedrich Oberlin, de heilige van het Steendal, op Justinus Kerner (1786-1862) die, naar wordt gezegd,  met zijn Die Seherin von Prevorst ‘de sleutel tot het spiritualisme’ gaf.  Hij noemt Johan Kaspar Lavater (1741-1801), Elise van Calcar en de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso. Personen die allen met graagte door spiritisten als getuigen werden ingezet om de betrouwbaarheid van het spiritisme te bevestigen.[40] Ook boer Hendrik gebruikte, wat wel wordt genoemd, deze methode der axiopistie, vooral om het geloof in het leven na de dood te waarmerken.

Het latere achtste hoofdstuk nu zet vooral in op de parapsychologie. Als volstrekt betrouwbaar worden er de verschijnselen van telepathie (97, 98), psychometrie (98), profetisme en zienerschap (103), Traumdeutung (106) en déjà vu gepresenteerd. (107)[41] 

Voor de verklaring daarvan grijpt hij min of meer terug op de eerdere voorstelling van de elkaar rakende lijn en cirkel. De lijn symboliseert de levensweg van de mens, de gang der dingen zoals hij die zelf ziet. De terugblik op zijn leven toont de belangrijke gebeurtenissen, de rites de passage, successievelijk, dus in lineair verband. God echter beschouwt die levenslijn ‘van binnen uit’. Vanuit het midden van de cirkel ziet hij alle gebeurtenissen op de levenslijn gelijktijdig, dat nu is Gods alwetendheid (101). In verschijnselen als telepathie, magnetisme, somnambulisme, psychometrie, mediumniteit en geloofsgenezing kunnen sommige mensen de godskennis benaderen, soms ‘opgetrokken’ worden naar het middelpunt van de cirkel. Dat gebeurt bij voorbeeld bij de profetie. ‘Een profeet of ziener is iemand, wien het gegeven is af en toe het leven te beschouwen, zoals God het ziet, namelijk uit het middelpunt van de cirkel. Dikwijls lees je, dat deze menschen zeiden, dat ze werden “overgebracht in den geest”.[42] Dat betekent, dat ze werden overgebracht naar het middelpunt van de cirkel’. (103, 104) Later zullen ook wij dat begrijpen, want het sterven is een ombuigen van het leven in de rechte lijn, tot een cirkel. Ons waarnemen vanuit het binnenste van de cirkel wordt dan een goddelijke kwaliteit, waardoor vreugde en verdriet, goed en kwaad dieper worden beleefd, geïntensiveerd als het ware, en dat geldt bij uitstek voor Gods genade. (112)

Wij proeven hier Gronings gedachtegoed, de gelijkvormigheid aan God in het toekomende leven en het verbaast dan ook niet, dat sommige (christelijke) spirit(ual)isten dachten zich te onderscheiden van de normale stervelingen: Eritis sicut Deus.[43]     

Het wonderland der ziel

Een aantal jaren na de verschijning van de 4e druk van Op de Rozenhoeve deed Boschma een poging om met zijn opvattingen ook jonge mensen te bereiken.[44] In zijn Het wonderland der ziel (1937) presenteert hij de leer van de zogenoemde Albezieling. Mens, dier en plant, alles heeft, in bepaalde gradaties, levenswil en levenskeuze. Dat gaat zelfs nog verder: ‘ “Wel, kerel”, zei een jonge dominee eens tegen mij, “ik weet niet, of ik ooit zo getroffen ben, als toen ik dat ontdekte! Ik weet nog goed; ik liep, nadat ik het in de boeken van Fechner gelezen had, door de straten van Londen en ik heb nooit ergens met zoveel eerbied mijn voeten neergezet, want het was me, of de straatstenen leefden onder mijn voeten en heel de wereld was mij een groot heiligdom.” ‘ (5) Bij mijn weten wordt hier voor het eerst in het werk van Boschma de filosoof/ pneumatoloog Theodor Fechner (1801 – 1887) met nadruk genoemd. Deze panpsychist en panentheïst[45] -maar hij was ook een vooraanstaand natuurkundige en estheticus -zal daarna in het werk van Boschma steeds meer op de voorgrond treden. Uiteraard spreekt onze hoofdpersoon ook weer over zijn geliefde beeld van lijn en cirkel. De eerste geeft het leven van ons (opper) bewustzijn weer, het leven in de tijd; het tweede symboliseert het onderbewustzijn, een teken van ons menszijn onder het beslag van de eeuwigheid. (18)

Het tweede gedeelte van de brochure, want eigenlijk is het niet meer dan dat, beweegt zich op het vlak van het paranormale. De proefnemingen van de Groningse psycholoog Heymans worden als verificatie van de telepathie voorgesteld (19)[46] en hypnose is de sleutel op de poort van het onderbewuste. In het magnetisme werkt de zielenkracht van de mensen om elkaar te helpen. De psychometrist (objectreader) is een ontdekkingsreiziger in het wonderland der ziel, terwijl de helderziende ruimte en tijd aan zich ondergeschikt maakt. (23) Ten slotte voert hij het spiritisme ten tonele: levitaties en tafeldans zijn zaken die echt gebeuren, maar voorzichtigheid is geboden met de mededelingen van die tikkende tafels. Boschma lijkt dan te kiezen voor het zogenoemde animisme, d.w.z. de mededelingen tijdens de séances komen uit het onderbewuste van het medium zelf voort en er is dus geen sprake van, dat gestorvenen in contact proberen te komen met de nog levenden. (25) Desalniettemin toont hij daarvan toch niet geheel zeker te zijn, want hij zegt namelijk: ‘Maar er zijn ook verschijnselen, waarbij het wel moeilijk is, om niet te denken aan invloeden en stromingen, die uit een andere wereld tot ons komen. Ook al zou men dit in geen enkel bepaald geval kunnen bewijzen, dan moet men toch erkennen, dat het geheel van de zogenaamde spiritistische verschijnselen te groot van stijl is, dan dat dit bouwwerk enkel door de levenden zou kunnen worden opgebouwd. Trouwens, wie inziet, dat alle zielenleven in de diepste grond der dingen één moet zijn, zal dat ook geen ogenblik betwijfelen’. (26) Hier hebben we weer een reminiscentie aan Fechner, wiens leer ook wel aangeduid kan worden als monistisch idealisme.

Er blijft dus een rest die onverklaarbaar is, ook voor het animisme. Boschma toont zich zo een van geest met de Utrechtse hoogleraar in de parapsychologie W.H.C. Tenhaeff, die ook het merendeel der spiritistische verschijnselen animistisch verklaarde, maar ruimte liet voor de inwerking van de geesten van overledenen. De bestudering van deze verschijnselen wilde Boschma overlaten aan ‘ernstige wetenschappelijke mensen’, die zich ‘van Godswege geroepen’ weten, om dit heilig land te betreden. (26, 27) Ongetwijfeld doelde hij hiermee op figuren als Elise van Calcar en haar adept de predikant Martinus Beversluis en hij kan eveneens hebben willen herinneren aan een aantal Evangelische predikanten- S. K. Thoden van Velzen, A. Rutgers van der Loeff en L.C. Meijer –die op dit vlak werden geïnspireerd door hun leermeester de hoogleraar P. Hofstede de Groot.[47]     

Heymans en Fechner

In de loop der jaren zette Boschma steeds meer in op het psychisch monisme van Heymans, en vooral Fechner. Ter verduidelijking het volgende:

Men kan het psychisch monisme ‘vangen’ in een drietal stellingen, hypotheses wel te verstaan. 1° Ons bewustzijn bezit het primaat, de stoffelijke hersenen zijn een afschaduwing daarvan, met andere woorden, de kern van wat wij hersenprocessen noemen is bewustzijn. Voorwaarde daarbij is de overtuiging, dat de stoffelijke wereld, via de zintuigen, slechts indirect kenbaar is. Onze psychische wereld (bewustzijn) daarentegen is direct bekend. 2° Alles wat wij als stoffelijk waarnemen is wezenlijk met ons bewustzijn verwant, dus psychisch. 3° Er is een wereldbewustzijn, dat alle menselijke bewustzijnen, dus ook de inhoud daarvan, omvat. Fechner heeft dat laatste mooi samengevat in een gedicht dat ik in de vertaling van Boschma laat volgen:

                    In God rust mijne ziele;

                    Gij zegt, dat zij vergaat? 

                    Ik weet haar nu en morgen

                    En eeuwiglijk geborgen

                    In ’t Enig, wat bestaat.

                    In God rust mijn ziele’

                    die was en is, die ’t al

                    omsluit en zal omsluiten,

                    die grote God, waarbuiten

                    niets was, of wezen zal.

                    In God rust mijne ziele,

                    zij leeft en rust in God.

                    Ik wil dit aardse leven

                    in zijne handen geven

                    en ook mijn eeuwig lot.[48]

Fechner gaat verder, ja, is stoutmoediger dan Heymans. Bijna de hypothese voorbij is zijn opvatting dat de aarde een levend organisme is, waarvan de mensheid het denkende orgaan vormt. Hij spreekt van een Aardbewustzijn dat het menselijke bewustzijn- centraal en perifeer -van alle aardbewoners omringt. Het Aardbewustzijn wordt omgeven door het Zonnestelselbewustzijn, daar omheen bevindt zich het Melkwegstelselbewustzijn en zo doorredenerende besluit hij tot een allesomvattend  Wereld-, Kosmisch-, of Albewustzijn.[49]

In dit panentheïsme- en dat maakte Fechner voor wetenschappelijke spiritisten interessant -blijft de mogelijkheid aanwezig, dat het individuele bewustzijn na de dood nog aanwezig is, maar zich niet meer in de vorm van hersenprocessen laat kennen.[50] In het spoor van Fechner redeneerden zij als volgt: ‘Het menschelijk bewustzijn verhoudt zich (…) tot het Albewustzijn als een enkele bewustzijnsinhoud tot het geheele individueele bewustzijn. Die bewustzijnsinhoud, onze voorstelling op dit oogenblik, gaat voorbij, maar, al heeft zij het centraal bewustzijn verlaten, zij is niet geheel verdwenen. Zij bevindt zich in ons perifeer bewustzijn en kan als herinnering in het centraal bewustzijn terugkomen’.[51] Mensen nu zijn tijdelijk geconcentreerde delen van het Albewustzijn. Na de dood blijven zij als herinneringen in het Albewustzijn voortbestaan, maar smelten samen met andere, verwante individualiteiten. Ten diepste blijft de mens dus bestaan en met deze overtuiging konden Fechner en Heymans onder wetenschappelijke spiritisten, maar niet alleen bij hen, op bijval rekenen; per slot van rekening ging het hier over een heilsboodschap, namelijk de zekerheid van een voortbestaan na de dood.

Veel publicaties van Boschma zijn doortrokken met het gedachtegoed van Fechner, maar het zijn vooral de brochures die hij op latere leeftijd schreef, waar dit met name voorkomt. Dat kan min of meer gedemonstreerd worden aan de hand van zijn Eenvoudig Christendom uit 1938. Daar is Boschma, als zijn voorbeeld Fechner, de volstrekte spiritualist,[52] zoals blijkt uit zijn uitspraak, dat onze geest ons lichaam gevormd heeft.[53] Tien jaren later verscheen een uitgebreide versie van deze brochure en ook hier doet Boschma zich weer kennen als de spiritualist bij uitstek, waar hij poneert, ‘dat heel de Schepping in haar diepste wezen geestelijk van aard is en dat dus niet het lichaam, maar de ziel het voornaamste en allesbeheersende is.[54]

Boschma treedt in deze tot boek uitgedijde brochure niet zozeer op als de verdediger van het panentheïsme, maar is meer de pleitbezorger van de zogenoemde leer van de sprongevolutie [in de erfelijkheidsleer: mutaties of sprongvariaties], die geboorte en dood als diep ingrijpende gebeurtenissen ziet op de weg van de menselijke evolutie: ‘Op de eerste trap des levens [de prenatale fase] leeft de mens eenzaam in het donker, op de tweede leeft hij gezellig [!] tussen anderen, maar toch van hen afgezonderd, op de derde trap [het hiernamaals] vlecht zijn leven zich innig met dat van anderen samen tot een nieuwe existentie’.[55] Elke fase is een voorbereiding op een verhevener bestaan.[56]

In Boschma’s maandschrift Licht en Liefde uit die jaren komen we allerlei Fechneriana tegen. Ik geef een drietal voorbeelden: De wereld is door Gods hand omsloten; als de mens alle zorgen loslaat valt hij in het zachte mosbed van Gods eeuwige liefde, ‘die U juist dan van alle kanten omgeeft’; het schepsel voelt, dat het enkel en alleen in God bestaat.[57] De nummers 9 en 10 van de 29e jaargang (1947), getiteld Over het Leven Hiernamaals en in één bandje uitgegeven, geven als pièce de résistance een aantal bladzijden uit  Fechners Das Büchlein vom Leben nach dem Tode[58], dat door Boschma als volgt wordt becommentarieerd:

‘De gedachte, dat we in het hiernamaals volkomen onze zelfstandigheid zullen behouden en nochtans volkomen in elkaar zullen opgaan en ‘in elkaar zullen denken en handelen’, zal allicht sommige lezers vreemd voorkomen en onbegrijpelijk zijn. Deze gedachte wordt door Fechner in het vervolg van zijn boekje verder toegelicht met het voorbeeld van de mozaïek, waarin elke tegel afzonderlijk staat, en nochtans totaal opgaat in het geheel.

Men zou ze ook kunnen voorstellen onder het beeld van een muziek-compositie, waarin elke partij haar eigen stem doet horen en toch met andere stemmen één grote, schone harmonie vormt, en waarin het geheel niets is zonder de enkeling, en de enkeling niets zonder het geheel’. [160]

Fechner en de Nederlandse spiritisten

Uit het voorgaande is wel duidelijk geworden dat Boschma zich in de loop der jaren ontwikkelde tot een adept van Fechner; hij was niet de enige [59], want onder parapsychologen en zogenoemde wetenschappelijke spiritisten, lieden dus die het spiritisme langs proefondervindelijke weg wilden bestuderen, maar het animisme niet uitsloten, nam zijn bekendheid toe. Hier is overigens wel enige voorzichtigheid geboden, want voor iemand als H.N. de Fremery, drager van de erenaam ‘de heraut van het spiritisme’ en ook wel beschouwd als de eerste parapsycholoog van Nederland, speelde Fechner nauwelijks een rol. Hij werd eerder geïnspireerd door de overigens wel aan Fechner verwante filosofen/ pneumatologen I.H. von Fichte en H. Ulrici, die in een ‘speculatief theïsme’ de wijsbegeerte trachtten te ver-christelijken en de theologie door wijsgerige bespiegelingen te verdiepen. Zij aanvaardden het bestaan van een etherisch lichaam en zochten het geloof in geestverschijningen te verdedigen.[60] Hiermee zat de Fremery op het spoor van zijn schoonvader, de schrijver H.J. Schimmel, die een vooraanstaand spiritist was.[61] Fechner was ook niet populair bij de zogenoemde Openbaringsspiritisten als Elise van Calcar en de predikant S.F.W. Roorda van Eysinga, op spiritistisch gebied elkanders tegenpolen, maar eensgezind in hun veronachtzaming van Fechner.[62]  Ook in Het Toekomstig Leven, een veertiendaags verschijnende periodiek van zeer behoorlijk niveau komen we Fechner hoogstens indirect tegen.[63]  Verdergaande in de tijd neemt zijn betekenis toe: ik wees reeds op zijn betekenis voor het psychisch monisme van Heymans en ook bij diens parapsychologische aannames heeft hij een rol gespeeld. Christen socialisten en religieus socialisten als ds. Albertinus van der Heide aanvaardden het spiritisme en riepen daarbij Fechner te hulp. Van der Heide deed dat in de volgende bewoordingen: ‘Uw ziel en mijn ziel, uw lichaam en mijn lichaam, de bloemen en de planten, de sterren en de zonnen, alles is een levend geheel, een organisme (…) een levend wezen; en dat levend wezen noem ik God; alles is God, God is alles, of alles is in God begrepen’[64] en ook grensgangers op dit vlak als de Enkhuizer doopsgezinde predikant H. Bakels werden door Fechner geraakt en namen delen van zijn wijsgerige opvattingen in hun levensovertuiging op.[65] Van belang was hij ook voor de bekende parapsycholoog W.H.C. Tenhaeff, die hem als de grondlegger van de experimentele psychologie beschouwt. [66] Hem trok vooral Fechners genuanceerde houding jegens het spiritisme: hij poetste de verschijnselen niet weg, maar wenste er terdege rekening mee te houden: ‘(…) nicht aus Sympathie für den Spiritismus, sondern weil der Sache und den Personen ihr Recht zu geben ist; denn sogern man den ganzen Spiritismus um jeden Preis beseitigen möchte, ist doch der Preis der Wahrheit dafür zu hoch’.[67] Tenhaeff acht Fechners werk baanbrekend en gaat zo ver te beweren, dat alle universitaire psychologische laboratoria in laatste instantie hun ontstaan te danken hebben aan het werk van Fechner.[68]

Nog interessanter is zijn betekenis voor-  we gaan iets terug in de tijd  -de bekende schrijver Frederik van Eeden. Die ontdekte omstreeks 1900 in de bibliotheek van zijn vader een aantal werken van Fechner en geraakte daarin al spoedig ten diepste geïnteresseerd. Dat was niet zo vreemd, want hun ontwikkeling liep in bepaalde opzichten parallel. ‘Beiden waren eerst in de ban van het materialisme [Fechner als fysicus en van Eeden als medicus DJ] en waren daarna, romantisch denkend als zij waren, meer idealistisch en religieus georiënteerd. Fechner was een der grondleggers van de empirische psychologie zonder evenwel een gevoelloze, materialistische Pluizer te zijn’.[69] Vooral het in verband met Boschma reeds genoemde Das Büchlein vom Leben nach dem Tode (1836) sprak de spiritist Van Eeden bijzonder aan en daarin vooral de centrale gedachte, dat de menselijke geest geheel vervuld was van hogere geesten. ‘Wat de mens aan gedachten inviel, kwam tot stand door de inwerking van geesten buiten hem. De mens kon, aldus Fechner, contact met de gestorvenen krijgen door aan hen te denken. Beproef ernstig te denken aan een overledene, zo luidde zijn advies, en op hetzelfde ogenblik zal de herdachte bij u zijn. Hij verzekerde dat de overledene die in de herinnering van de mens kwam, niet zo maar een lichtverschijnsel in diens binnenste was, maar de overledene zelf’.[70] Deze werd dus letterlijk opnieuw ‘geïnnerd’.[71]

Twee andere boeken van Fechner die Van Eeden in de bibliotheek van zijn vader vond zijn Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht  (1879) en Nanna, oder das Seelenleben der Pflanzen. (1848) Het eerste identificeert het ‘Nachtansicht’ met het materialisme, want zonder een bewustzijn dat het bestaande waarneemt als licht, warmte en leven, verloopt alles in het duister. Zowel Fechner als van Eeden vochten een groot deel van hun leven tegen dat duistere perspectief. In Nanna verdedigt Fechner het zogenoemde panpsychisme: mensen, dieren, planten, ja zelfs mineralen en hemellichamen zijn bezield. Dergelijke opvattingen werden in de wetenschappelijke wereld met een ironische glimlach ontvangen, doch er waren dames die op sentimentele wijze met dit geschrift dweepten en zich bezwaard voelden als zij toevallig op een bloeiend viooltje trapten.[72] Dat echter niet alleen dames geraakt werden zagen we in het begin van dit verhaal aan de jeugdige predikant die zo vederlicht door de straten van Londen stapte.

De invloed van de ‘occulte’ Fechner in Nederland is bij mijn weten relatief beperkt geweest.[73] De natuurkundige kreeg wel enige betekenis; onder andere door zijn experimenten op het gebied van het waarnemen raakte de oogheelkundige F.C. Donders in hem geïnteresseerd.[74] Desalniettemin bleef de aandacht voor hem bescheiden, want in een recent verschenen overzichtswerk komt zijn naam niet voor[75] en ook iemand als de bekende Ferdinand Sassen[76] gaat in zijn Wijsgeerig leven in Nederland in de twintigste eeuw- we zijn dan wel meer dan 50 jaar terug in de tijd –niet verder dan het signaleren van invloed op Heymans en een aantal van diens leerlingen (H.J.F.W. Brugmans, L. Polak en J.J. Poortman).[77] Zij allen waren vooraanstaande leden van de in 1920 opgerichte SPR (Studievereniging voor Psychical Research), waarvan aanvankelijk ook veel spiritisten lid waren. Al spoedig echter bezag men in spiritistische kring de SPR met wantrouwen. Het SPR-lid dr. J. Valckenier Suringar verwoordde dit aldus: ‘(…) personen die als de eigenlijke onderzoekers in de vereniging op de voorgrond treden, trachten alle verschijnsels, zoo lang als dit mogelijk zal zijn, telepathisch te verklaren, in ’t algemeen zoo, dat de verklaring zoo veel mogelijk aansluit aan de bestaande natuurkunde; zij werken met de verschijnselen zooals zij werken met b.v. electriciteit, zuiver verstandelijk. (…) de spiritualistische hypothese echter, die door hen terzijde wordt gesteld (…) heeft te doen met bezielde, gevoelige geesten; en deze zijn ontvankelijk voor de bij het onderzoek heerschende stemming. (...)'[78] Misschien ligt hier wel ten diepste de oorzaak voor het feit dat Fechner bij Nederlandse spiritisten, ook bij de meer wetenschappelijk georiënteerden onder hen, zo weinig krediet genoot: de wetenschap had zich hem toegeëigend en daardoor was hij verdacht.

Ook Boschma moest dus wel onder dat beslag vallen. Hij was niet alleen adept van Fechner, maar beriep zich ook op het gedachtegoed van Thomson Jay Hudson, die in zijn De wet der Psychische verschijnselen, alle spiritistische manifestaties terugvoerde op het bestaan van een subliminaal bewustzijn of ‘tweede ik’, oftewel het onderbewuste.[79] Deze opvatting kon uiteraard geen genade vinden in de ogen van de echte spiritisten.[80]

Er was in Nederland overigens wel een esoterische groep van mensen, die met het gedachtegoed van Fechner en Heymans uit de voeten kon. Dat waren de theosofen. Zij identificeerden het psychisch monisme met de fysieke, dus lagere kant van de theosofie, omdat het  bleef steken in het animisme.[81] Hiermee toonden zij aan de tijdgeest beter te begrijpen dan de spiritisten. Wat Fechner betreft, liet Engeland een zelfde beeld zien als Nederland;[82] in Duitsland was merkwaardigerwijze de situatie min of meer identiek, zoals blijkt uit Fechners Tagebuch, waarin hij op een zeker moment noteert: ‘Einigermaszen wundert es mich, dass meine Ansichten vom Jenseits, wie ich sie im Büchlein Vom Leben nach dem Tode (…) entwickelt habe, trotz ihrer Verwandtschaft mit den Ansichten der Spiritisten und Vereinbarkeit mit den spiritistischen Versuchen, im Kreise der Spiritisten selbst so gut wie unbeachtet geblieben sind; was übrigens kein Anlass für mich sein soll, mich in ihre Literatur zu mischen’.[83]

Hernieuwde aandacht voor het panentheïsme

De laatste jaren is er uit Angelsaksische hoek een toenemende belangstelling te constateren voor het panenthëisme, zoals wij dat leerden kennen door Fechner. Ik doel dan vooral op de onderzoekingen van de Amerikaanse nieuwtestamenticus Marcus Borg die in zijn Nooit kenden wij God aldus. Van een dogmatische Godsdienst naar een authentiek geloof [84] de uitdaging aangaat hoe in onze tijd te kunnen geloven en God in het denken te betrekken, zonder onze opvattingen over rationaliteit over boord te hoeven gooien. Hij komt dan terecht bij het panentheïsme, overigens zonder Fechner te noemen en men krijgt wel de indruk dat Borg een zekere mate van eigen originaliteit niet uit wil sluiten.[85]

Deze Amerikaanse theoloog geeft diverse voorbeelden van panentheïsme in de Bijbel. Ik beperk me hier tot een oudtestamentisch en een nieuwtestamentisch voorbeeld. Het eerste is psalm 139:

Here, Gij doorgrondt en kent mij;

Gij kent mijn zitten en mijn opstaan…

Gij omgeeft mij van achteren en van voren

En gij legt uw hand op mij…

Waarheen zou ik gaan voor uw Geest

Waarheen vlieden voor uw aangezicht?

Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar,

Of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er;

nam ik vleugelen van de dageraad,

ging ik wonen aan het uiterste der zee,

ook daar zou uw hand mij geleiden,

uw rechterhand mij vastgrijpen.

Borg ziet de psalmdichter de hele werkelijkheid doorreizen: het universum van hemel, aarde en dodenrijk en naar de verste einden der zee en waar deze ook gaat, God is er. Dat kan alleen, omdat alles in God is. ‘Er is geen plaats waar ik buiten Gods aanwezigheid val’.

Het nieuwtestamentische voorbeeld ontleent Borg aan Handelingen 17: 27- 28. Paulus spreekt op de markt van Athene over de menselijke zoektocht naar God en verzekert zijn gehoor- hier komt ons Boschma in gedachten met zijn Het Koninkrijk der Hemelen is nabij -dat God niet ver weg is, maar dicht bij ons:

…opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, (…)

‘we zijn in God: we leven en bewegen ons en zijn in God. God is niet alleen “boven in de hemel” , maar ook “hier en nu”, als de alomvattende Geest rondom ons, in wie wij zijn’.[86]

Borg beschouwt het panentheïsme als een derde weg naast, of beter nog, tussen  supranaturalistisch theïsme en pantheïsme in. De eerste gaat uit van de transcendentie, de tweede van de immanentie van God, maar in het panentheïsme is God meer: in de woorden van Borg ‘Hij is veel meer dan de totale som der dingen’. Volgens hem is deze opvatting- ik gaf er een aantal voorbeelden van -ook diep geworteld in de christelijke traditie en eigenlijk het orthodox - christelijke basisbeeld van God, ook al is het een vrij onbekend fenomeen in het populaire christendom.[87]

Misschien moeten we ook de ‘orthodoxie’ van Hilbrandt Boschma hierin verknopen. Deze spreekt in een brief aan Elise van Calcar over de orthodoxie in haar ruimen vorm en wijst haar er op, dat zij een aanwas van spiritualistische christenen alleen uit die hoek kan verwachten, omdat men daar, anders dan bij de modernen echt met de vragen van dood en leven bezig is. Orthodoxie in haar ruimen vorm, dat is bij Boschma- negatief: geen verzoening door voldoening, dus geen plaatsvervangend lijden; er is geen Bijbelse leer aangaande de Opstanding;[88] God is één, d.w.z. men kan niet spreken over een Drieënig God;[89] hij verwerpt wat hij noemt het ‘officiële kerkendom’, want Christus noemt het begrip kerk niet, maar spreekt wel over het Godsrijk[90] en eveneens wil hij niet weten van het vasthouden aan dogma’s.[91]

De ruime orthodoxie komt- positief -tot uiting in het volgende: God is de volkomen liefde;[92] Hij laat aan de mens na zijn dood de keuze voor hemel of hel en is genadig, niet als een heer tegenover de slaaf, maar als een vader jegens zijn kind. ‘Ruim’ is ook de betekenis die Boschma hecht aan het geweten, die het vrijzinnige ‘de Godstem in je hart’ benadert;[93] de rol van wonderen in het menselijke leven;[94] de Bijbel, niet als het letterlijke woord van God, maar wel als de schatkamer waar dat woord gezocht, en gevonden kan worden;[95] de essentiële plaats van het Sola Fide, uitlopend op het appèl: gij moet geloven![96]

Slotopmerkingen

We begonnen deze bijdrage met het stellen van een aantal vragen. De eerste twee betroffen Boschma’s betrokkenheid bij het spiritisme en de oorsprong daarvan. We hebben gezien, dat hij het bestaan van het ‘Hineinragen einer Geisterwelt in die Unsere’ niet uitsloot en evenals de parapsycholoog Tenhaeff achtte hij een ‘rest’ geestengeloof bestaanbaar. Die belangstelling werd- via de evangelist Van Broekhoven - gewekt door kennismaking met het werk van Elise van Calcar, maar al gauw ‘ingehaald’ door de onderzoekingen van Heymans en vooral van diens inspirator Gustav Fechner. We weten op dit moment niet of Boschma ooit een séance heeft meegemaakt. Mocht dat zo zijn, dan is dat waarschijnlijk (ook) in de omgeving van Breda geweest: als sergeant van het 6e regiment Infanterie kan hij in spiritistische kringen hebben verkeerd, aangezien die daar in die jaren opgang begonnen te maken.[97]  Illustratief in dit verband is een gedeelte uit een brief van de spiritist bij uitstek, de predikant S.F.W. Roorda van Eysinga, die in een brief aan de schrijver H.J. Schimmel meldt: ‘Ik heb Schuman in het bezit gesteld van een bibliotheekje, waarmee hij in Den Bosch propaganda maakt en verwonderlijk werkt. In Bergen op Zoom heeft zich een kring gevormd van 19 onderofficieren uitmakende een debatingclub onder den naam: elk naar zijn krachten, die ook het Spiritisme wil beoefenen. Ook heb ik aan boeken geholpen. (…). Secretaris is de heer G.L. Janssen, sergeant majoor 2e comp., 1e Bat. Mijn bijzondere vriend is de heer J.W. Koning, sergeant der Infanterie, ook lid van die club. In Arnhem zijn 3 kapiteins en 1 kolonel beoefenaars van het Spiritisme, aan den Helder 1 kapitein der genie. Wij maken dus propaganda in het leger. (curs. DJ)[98] Vermeldenswaard is eveneens, dat de vertaler van Fechners Das Büchlein vom Leben nach dem Tode, H.B. Kennedy van Dam, in Breda woonachtig was. 

Het moet overigens gezegd dat men, ook al maakt men nimmer een séance mee, toch het spiritistische gedachtegoed omhelzen. Men bevindt zich dan in de lijn van Elise van Calcar, maar in het bijzonder van ds. Martinus Beversluis, die het spiritisme als een geestelijke opwekkingsbeweging zag, en het verschijnsel wilde vermaatschappelijken. Geestverschijningen, en in het bijzonder materialisaties, hadden zijns inziens toch te veel het karakter van de natuurwetenschappen en waren dus schatplichtig aan het Materialisme.[99] 

In het leven van Hilbrandt Boschma speelden parapsychologische noties in de stijl van Heymans, maar vooral Fechner, een belangrijke rol. Hij ‘verchristelijkte’ Fechner echter wel zoals een niet uitgegeven tekst van hem laat zien.

     En nu komen we tot de merkwaardige slotsom, dat het opgaan in de eenheid,

     Het zich verliezen in God niet de individualiteit opheft, maar die juist verdiept

     en wijdt tot persoonlijkheid. Hier komen we ineens tot de wonderbare ontdekking

     hoe waar het woord van Christus is:

     ‘ Zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie het zal

     willen verliezen, die zal het behouden. We zouden in dit verband kunnen zeggen:

     Zo wie zijn individualiteit zal willen behouden, die zal hem verliezen, maar wie

     zijn individualiteit zal willen verliezen in de eenheid, die zal hem gelouterd als

     persoonlijkheid behouden’.[100]

    

Hier zocht Boschma dus ten diepste een antwoord op het probleem van de onsterfelijkheid. De orthodoxe benadering van het ‘geloven op gezag’ bevredigde hem geenszins; evenmin de ‘oplossing’ van de moderne theologie die in het voetspoor van de natuurwetenschappen wonder, opstanding en eeuwig leven hadden weggeredeneerd. Zo kwam hij, als een van de weinigen in Nederland, terecht bij Fechner, maar ook bij het spiritisme. Fechners panentheïsme verschafte hem een kader, waarin hij het Godsrijk, door de komst van Jezus, in het menselijke bestaan een plaats kon geven. Het bood tevens uitzicht op een eeuwig leven.

Dit droeg hij op velerlei manieren uit, maar naar eigen zeggen bleef hij een pelgrim en een harpenaar wiens liederen werden beluisterd, maar op wiens boodschap, hetzij uit onbegrip, hetzij uit onwil, te weinig acht werd geslagen.     

 

Bijlage A.

Uit de Heerenveense Koerier van 4 augustus 1949, 1e blad.

Hilbrandt Boschma 80 jaar.

Leraar van een grote gemeente.

Een van de boeken, die wij zo’n kleine veertig jaar geleden als jongens elkaar betwistten bij de uitlening van de bibliotheek, was Blank en Bruin van Hilbrandt Boschma. Het kon misschien in spanning niet concurreren tegen de moderne beeldromans, maar ’t heeft bij ons een diepe indruk nagelaten.

Later hebben we ontdekt, wie eigenlijk de schrijver van dit boek was. Tijdens de eerste wereldoorlog circuleerde een geschrift onder de titel, Het visioen der zeven zegelen, een klemmend pleidooi voor een christelijk antimilitarisme.

Of een pleidooi was het ook weer niet.

Veeleer een ernstig en weerloos getuigenis, dat juist hierdoor zo aansprak, dat het in het geheel niet programmatisch was, maar een beroep deed op het geweten.

De Evangelist van Ruurlo.

Hilbrandt Boschma is even Fries als zijn naam, ook al verliet hij het Heitelân reeds jong. Arbeidersjongen van de Friese klei, werd hij eerst onderwijzer en daarna evangelist.In deze functie stond hij ruim dertig jaar in het kleine Ruurlo in de Achterhoek van Gelderland.

Het was een gemeente van weinig omvang, welke hij hier had te dienen.

Maar hij was bestemd tot groter werk.

Van uit dit isolement schreef hij zijn maandblad Licht en Liefde, dat overal in Nederland zijn lezers vond en van onberekenbare invloed is geweest. Niet alleen de gewone lezer werd er door gesticht, maar ook tientallen predikanten maakten er dankbaar gebruik van, en het waren zeker niet de slechtsten die zulks deden.

Waarin lag het geheim van Boschma’s betekenis voor het Nederlands godsdienstig leven? Zeker niet in de scherpzinnigheid van zijn theologie, daar zijn theologen het in het algemeen wel over eens. Maar in al zijn geschriften straalt een zeldzame klaarheid, die de dingen vereenvoudigt en symbolisch doorlicht. Pas echter op met de conclusie, al te vaak gemaakt en door Boschma zelf aangemoedigd, dat we hier met een ‘eenvoudige geest’ te doen zouden hebben. Hij vereenvoudigde wel, maar hij was niet eenvoudig. Hij vond de eenvoud, die eerst bereikt wordt door alle gecompliceerdheid heen. En daarom is hij ook zo moeilijk te classificeren. Met zijn synthetisch christendom staat hij naast orthodoxen en vrijzinnigen en glipt hen beide gelijkelijk door de hand in een milde humor, die zich wel incidenteel verbindt, maar nimmer vastlegt. Een paradoxaal heimwee naar de ene heilige algemene christelijke kerk drijft het tot breken met de formele band met de concrete kerkgemeenschap. Universalisme en individualisme, zo vaak in Friesland in een persoon verbonden, openbaren zich sterk in de figuur van Hilbrandt Boschma.

Getuige en kunstenaar

Dat onweerstaanbare aantrekkende en tegelijk ongrijpbare in zijn verschijning is niet te verklaren zonder zijn kunstenaarsschap. Want deze man, die niets anders begeert te zijn dan een eenvoudig getuige van Christus, is tegelijk een gecompliceerde kunstenaar. Wie zijn boeken en artikelen leest, en hij heeft er voor en na heel wat geschreven, komt onweerstaanbaar onder de bekoring van dit zuiver artistieke element. Iemand als Jan Greshoff, die zeker geen voorliefde heeft voor preken en meditaties , heeft met grote bewondering geschreven over Boschma’s bundel Als de regen stuift. En wat Gresshof in dit boek ontdekte, leeft in al zijn werk. Christendom en oorlog, Om de Wiemenhof, De Tragedie van het Godsrijk, Eenvoudig Christendom, het is de getuigenis van een evangelist en tegelijk de schepping van een kunstenaar. Hoewel hij uitstekend Fries spreekt en leest, heeft Boschma het directe verband met Friesland verloren. Friesland, ter ene zijde het verleden dat hij meende overwonnen te hebben, stijgt in zijn heimwee op als een onwezenlijk Arcadië, zoals in zijn verhaal It wiif fan ‘e himeltille.

Dit Friesland kennen wij niet, evenmin als hij het gebroken en strijdende Friesland kent. Boschma zei ons eens, toen we over Friesland hadden: ‘Ik maot der mar net wer hinne, ik soe bang wêze dat ik der net mear wei koe en de boer opgyng mei jern en bên.

Dat zal er wel niet meer van komen. Hilbrandt Boschma geniet zijn rust in Hilversum (Javalaan 5) voor zo ver er bij hem althans van rust kan worden gesproken. Want nog steeds is hij actief in zijn getuigenis voor Christus, in zijn pleiten voor een samenleving waarin ‘licht en liefde’ heersen en in zijn onverzwakt protest tegen oorlog en militairisme.

Wij zijn overtuigd de tolk van velen in Friesland te zijn, wanneer wij Boschma, die Vrijdag 5 augustus zijn 80ste verjaardag viert, danken voor het vele dat hij ons schonk en hem toewensen, dat hij nog jaren op zijn post moge blijven.

                                                                                                          F(edde) S(churer)                  

Bijlage B.

Brief van Hilbrandt Boschma aan Fedde Schurer, 12 oktober 1949.

Beste Fedde,

Beter zelfs schandalig laat dan in het geheel niet, wil ik je nog wel hartelijk danken voor het artikel, dat je in de “Heerenveenscher Koerier” aan mij gewijd hebt ter gelegenheid van mijn 80e verjaardag.

Het zal je ook wel gaan zoals mij, dat je bij “gunstige critieken” al gauw met een gebaar van verveling zegt: Nou ja, dat weten we nou al wel!

En dan doet het je goed, ook eens de stem van iemand te horen, die werkelijk tracht het beste, wat er in je was, in het licht te stellen. Op die manier wordt een critiek waarlijk tot een stichtelijk stuk- ook voor de man, over wie het gaat, daar hij daar onder wel ootmoedig, maar toch niet verlegen en schaamrood hoeft te worden.

Ik herinner me vaak, hoe je je er eens tegenover mij beklaagde, dat je nu al 40 jaar was en nog niets gepresteerd had. Daarom ben ik zo blij, dat je leven nu vanachter de schoolmeesterslessenaar nu zulk een brede vlucht heeft genomen. Je bent dan nu Voorganger van een grote gemeente. Ik hoop nu maar, dat er daar in Friesland niet één of andere Holdert[101] schuilt, die de macht van zijn kapitaal tegen je loslaat. Hij schijnt in Holland al weer veel succes te hebben.

Maar me dunkt: in het Friese volk zit toch meer karakter!

Met beste wensen en hartelijke groeten, ook aan Willy en Andries, je

                                                                                                            Hilbrandt.                               

                                                                                                            

Bijlage C.

Gedeelte uit een brief van Hilbrandt Boschma aan Elise van Calcar, niet gedateerd, Sikemeier , 697

‘Ik voor mij ben van mening, dat de orthodoxie in haar ruimen vorm geen bittere bejegening verdient. Zeker, ook aan dien zijde is er veel tegenstand, maar toch geloof ik, dat de ernstigste recruten van het nieuwe leger van spiritualistische Christenen juist van die zijde zullen komen. Waar tal van moderne kringen verzonken zijn in doodelijke onverschilligheid, daar zijn de vragen van dood en leven, van eeuwigheid en vergelding, onder de orthodoxen toch telkens aan de orde, hoe

gebrekkig en foutief ze ook mogen beantwoord worden’.

1



[1] Hilbrandt Boschma, ‘Pelgrim en harpenaar, een gedachteniswoord. In: Licht en Liefde, 17 (1930) n° 2, 24.

[2] Brief aan G.A. van den Bergh van Eysinga te Bloemendaal d.d. 12 juli 1921, in: archief Boschma, IISG [Amsterdam], map 3. Boschma doelt hier waarschijnlijk op ds. C. Ph.F Abbing, die van 1911-1942 hervormd predikant te Ruurlo was.

[3] Nederland’s Adelsboek. 1994, 300. De familie zorgde er ook voor, dat Boschma sedert 1928 een lijfrente genoot van ƒ 500 per jaar. Archief Boschma, map 12. Adellijke sympathie genoot Boschma wel meer, zo verzorgde C.W. van Hangest baronesse d’ Yvoy, ‘Huize Isselborg te Dieren’ de administratie van Licht en Liefde, zij was gehuwd met J.D.C. van Heeckeren van Kell, archief Boschma, map 1; mevrouw Jhr. Loudon, ‘Voorlinden’, Wassenaar steunde hem financieel. Archief Boschma, map 4.

[4] Brief aan J. van der Wey, zendeling-leraar te Djoetikebun (Indramayoe, Indonesië), archief Boschma, map 4. Er waren geruchten dat het riante pand aan de Javalaan 5 te Hilversum zijn eigendom was; in werkelijkheid huurde hij het van een zekere mevrouw Van Dam, Regentesselaan 16 te Hilversum. Archief Boschma, map 3.

[5] Hilbrandt Boschma, De vrucht der gedachten. Ammerstol 1939, 9

[6] Er verschenen tot op heden 5 delen, Kampen, 1978-2001.  Het lemma Boschma, Hilbrandt [A.F. Schravesande]  in deel IV, 41-43. Het werk wordt in het vervolg als BLGNP aangehaald.

[7] Over Boschma is  weinig gepubliceerd en diverse vragen wachten nog op beantwoording. Vragen als: Hoe functioneerde hij als orthodox evangelist te midden van merendeels vrijzinnige predikanten? Is er bij hem sprake van een Einzelgang zoals van congeniale collega’ als zijn vriend Abraham Rutger Rutgers (o.a. te Lochem 1914 -1919) en de nog te noemen Louis Adriën Bähler? Vanwaar zijn filosofische belangstelling en in hoeverre speelde in dit alles zijn niet-academische opleiding een rol? Nader  onderzoek zal deze intrigerende en gecompliceerde figuur recht moeten doen. 

[8] Deze brieven zijn aanwezig in Tresoar [Leeuwarden]. Het gaat om één brief aan Beswerda, kleermaker in het Friese dorp Lollum, twee briefkaarten en veertien brieven aan Schurer. Daar ook een brief aan de Friese kerkhistoricus Geert Aeilco Wumkes, die voornamelijk over taalkundige kwesties handelt. Schurer, zie BLGNP V, 456-458 [D.H. Hak]; Wumkes, Idem IV, 466 vlg. [G. Abma].  

[9]  Boschma noemde de namen van H. Reurink, G.J. Rauwenhorst, H. Enklaar, A. Arfman, Ev. Haverkamp en Steven Haverkamp. Diverse gegevens over zijn verblijf te Ruurlo ontving ik van de heer Herman F. Arentsen te Ruurlo. Hem zeg ik daarvoor hartelijk dank. 

[10] Pelgrim en harpenaar, 34.

[11] Idem, op de binnenzijde van het achterplat.

[12] De toespraak in het Geldersarchief te Arnhem. Archief Huis Ruurlo, inventarisnummer 582.

[13] J.H. Gunning, zie BLGNP III, 156 vlg. [P.L. Schram]; zijn vader, eveneens Johannes Hermanus, in: BLGNP IV, 165-173  [A. de Lange]. 

[14] De brief is in het Fries geschreven. De aangehaalde citaten zijn door mij vertaald.

[15] In 1914 verscheen te Ruurlo ook Op de Rozenhoeve. Eenvoudige gesprekken over het toekomstig leven.

[16] Pelgrim en harpenaar, 32.

[17] Brief van 6 december 1935.

[18] Idem.

[19] Respectievelijk in BLGNP, V : 27-29 [D. Jansen]; V : 266 vlg. [H.J. Zeldenrust]; II : 419 vlg. [J.H. Rombach]. J.B.Th. Hugenholtz was van 1924-1954 predikant te Ammerstol. Diverse boeken van Boschma werden in die plaats uitgegeven.

[20] Zie voor het begrip evangelist: G.J. Mink, Op het tweede plan. Evangelisten in de tweede helft van de negentiende eeuw. Leiden 1995, 14 vlg.

[21] Pelgrim en harpenaar, 25.

[22] Idem.

[23] Idem , 27.                             

[24] Hilbrandt Boschma, Het Godsrijk is nabij ! Hilversum 1946, 11.

[25] In een brief aan Elise van Calcar schrijft Van Broekhoven over ‘Mijn vriend Boschma te Meppel’, 6 januari 1904. Voor Van Broekhoven, Derk Jansen, Op zoek naar nieuwe zekerheid. Negentiende-eeuwse protestanten en het spiritisme. [diss. RuG]. Amsterdam 1994, 174, 175, 196, 221.

[26] Zij leefde van 1822-1904. Voor haar: J.H. Sikemeier, Elise van Calcar-Schiotling, Haarlem 1921. Eveneens: Derk Jansen, Op zoek, passim, BLGNP III, 323 vlg. [B.A. Venemans].

[27] BLGNP, V, 27-29 [D. Jansen]

[28] Hilbrandt Boschma, Oorlog en Christendom, een getuigenis. Ruurlo 1914, 8; voor William T. Stead, zie: Janet Oppenheim, The other world. Spiritualism and Psychical Research in England, 1850-1914, 33 vlg., 47, 68, 84, 141.

[29] Douwe Draaisma, Een laboratorium voor de ziel. Gerard Heymans en het begin van de experimentele psychologie. Groningen 1992, 7-11.

[30] Een belangrijke naam in dit verband is die van H.N. de Fremery (1968-1940). Zie: H. van Dongen en J.L.F. Gerding, Psi in wetenschap en wijsbegeerte. Geschiedenis van de parapsychologie in Nederland. Deventer 1983, 23 vlg.

[31] In navolging van het Goetheaanse: ‘Die Gedanken sind frei’.

[32] Oorlog en Christendom, 4.

[33] Idem, 5.

[34] Zie voor hem: Herman Noordegraaf, A.R. de Jong (1883-1970). Revolutionair predikant en religieus bezieler. Gorinchem 1998.

[35] Idem, 57.

[36] Een vierde druk verscheen in 1933.

[37] BLGNP IV, 393-397, [H. Noordegraaf].

[38] Oorlog en Christendom, 60.

[39] Naar dit motief verwijst b.v. Elise van Calcars Vruchten van het gezaaide, [3 dln.]. ’s Gravenhage 1892 en Boschma’s Wat zullen wij plukken, Hilversum 1947en De vrucht der gedachten, Ammerstol 1939.

[40] Deze figuren komen, soms zeer uitgebreid, allen aan de orde in Jansen, Op zoek passim

[41] In de psychometrie, ook wel psychoscopie of object reading, tracht men aan de hand van een voorwerp indrukken over de eigenaar of drager te verkrijgen.

[42] Openbaring I : 10.

[43] ‘Gij zult als God zijn’. Dit is de titel van een in 1854 anoniem verschenen spiritistisch boek. De auteur is waarschijnlijk een zekere W. Cranz.

[44] Het wonderland der ziel. Een causerie voor jonge mensen.  Assen 1937.

[45] Gemakshalve worden deze opvattingen hier samengebald in de volgende drieslag: God is geest, alles is in God, alles is geest of ziel.

[46] Douwe Draaisma, Een laboratorium voor de ziel, 80-95.

[47] Jansen, Op zoek, 181.

[48] Hilbrandt Boschma, Over het Leven Hiernamaals. Hilversum 1947,157

[49] C.H. Ketner, Mensch en wereld. Een inleiding tot het psychisch monisme. Arnhem 1929, 95.

[50] Idem, 102.

[51] Idem , 103.

[52] Het woord spiritualist wordt hier dus gebruikt in de klassieke betekenis: de stof is slechts een verschijningsvorm van de geest.

[53] Hilbrandt Boschma, Eenvoudig Christendom. Hilversum 1938, 13.

[54] Dez. Eenvoudig christendom. Lochem 1948, 166.

[55] Idem, 168.

[56] Idem, 169. In Het Godsrijk is nabij ! 31, noteerde hij: ‘Het is die ellendige leer van de ‘geleidelijke evolutie’ die dit geslacht bedorven heeft, waardoor het alle heldengeloof verloren heeft in de sprong, en waardoor het tenslotte, teleurgesteld, verzonken is in een hopeloos pessimisme’. M.i. pleit hij hier in wezen voor ‘the leap in the dark’; men kan zich afvragen, of hij hierrmee een verklaring wilde geven voor zijn door sommigen bekritiseerde ommekeer van militair tot antimilitarist.

[57] Respectievelijk in 28 (1946) n° 3,4,5, 31; 29 (1947) n° 8, 116; idem, 11, 176 

[58] Het werd door H.B. Kennedy van Dam vertaald en in 1905 te Apeldoorn uitgegeven onder de titel Het boekje over het leven na den dood.

[59] Voor de volledigheid wordt hier vermeld, dat het gedachtegoed van Fechner aan het begin van de 20e eeuw ook weerklank vond binnen de Nederlandse vrijzinnigheid, o.a. bij H.Y. Groenewegen, sedert 1902 hoogleraar aan het  Seminarie der Remonstranten. De lijn Spengler-Bergson-Fechner - waarin irrationaliteit overheerst - zette zich onder invloed van de rechts-moderne hoogleraar K.H. Roessingh echter niet door. Zie B. Klein Wassink en Th.M. van Leeuwen [red.] Tussen Geest en Tijdgeest. Denken en doen van vrijzinnig protestanten in de afgelopen honderd jaar. Utrecht 1989, 70, 167.   

[60] W.H.C. Tenhaeff, Het spiritisme. ’s Gravenhage 1975 (negende druk), 52.

[61] Auteur van een aantal spiritistische romans en Opstellen over Spiritisme. Bussum 1908.

[62] Fechner niet bij J.H. Sikemeier, Elise van Calcar, Haarlem1921; niet in Op de grenzen van twee werelden, het tijdschrift dat Van Calcar uitgaf in de jaren 1877-1904; niet in het archief De Fremery, Harmonia Utrecht, Ambachtsstraat 12.

[63] Namelijk in een beschouwing van De Fremery over Heymans. Het Toekomstig Leven. 14 (1910) 57-60. Ik bestudeerde de jaargangen 1898-1910. Ook niet bij E.M. van IJsendijk, Het land aan gene zijde. Den Haag 1933 (derde druk) en  vermoedelijk ook niet bij de Van Calcar adept ds. Martinus Beversluis. Voor de laatste, zie Jansen Op zoek, passim.

[64] D. Jansen, ‘ “Hem moet ik winnen!” Over (de receptie) van Van Eedens spiritisme’. In: Mededelingen van het Frederik van Eeden-Genootschap. XLVII (2002) 47-56, 52. Voor Van der Heide: D. Jansen, ‘ “ Een persoonlijk voortbestaan”. Ds. Albertinus van der Heide en de parapsychologie’. In: De Vrije Fries, deel 83 (2003) 179-200.

[65] Men denke aan de Friese predikanten Leendert de Baan en Albertinus van der Heide. De eerste werd spiritist onder invloed van Frederik van Eeden. Zie respectievelijk M.H. Voorhans, Leendert de Baan, een christen-socialistisch predikant in de Trynwâlden, (1915-1922). (Niet-uitgegeven scriptie theologie MO-B, Leeuwarden 1999), Jansen, Een persoonlijk voortbestaan, en Idem, Van Eeden.    

[66] Tenhaeff, Spiritisme, 52.

[67] Idem.

[68] Idem, 54.

[69] Jan Fontijn, Trots verbrijzeld. Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901. Amsterdam 1996, 95.

[70] Idem, 417.

[71] Ook de bekende Friese dichter Obe Postma (1868-1963) werd op godsdienstfilosofisch vlak ‘geraakt’ door het psychisch monisme van Heymans. Of Fechner bij hem met name wordt genoemd is mij onbekend. Zie: Ph.H Breuker, Obe Postma als auteur van het sublieme.  (Inaugurele rede UvA), Ljouwert/Leeuwarden 1996, 8 vlg. en ‘Oer wittenskip en poëzy by Obe Postma. Op grûn fan syn oantekenskriften’. In: De Vrije Fries, deel 63 (1983) 69-83, 75.

[72] P. van der Elst, Gustav Theodor Fechner, Baarn 1921, 20

[73] Opvallend is dan wel, dat een anti-spiritist als de Leeuwarder natuurkundige en socialist Vitus Brandsma hem als één van de ‘Founding Fathers’ van het Nederlandse spiritisme zag. Zie: D. Jansen, ‘Twee werelden. Vitus Bruinsma beproeft het spiritisme’. In: Fryslân, 9 (2003) n° 1, 13-16, 14.

[74] Mededeling van prof. dr. P.J. van Strien te Groningen.

[75] Siebe Thissen, De Spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907). Den Haag 2000.

[76] Ferdinand Leon Rudolphe Sassen (1894-1971). In 1919 priester, 1929 hoogl. wijsbegeerte te Nijmegen, 1945 directeur-generaal van het onderwijs, 1946 hoogl. te Leiden. Richtte zich vooral op de geschiedenis van de wijsbegeerte, i.h.b. in Nederland. 

[77] Amsterdam 1941, 69.

[78] H. van Dongen en J.L.F. Gerding. PSI in wetenschap en wijsbegeerte. Deventer 1983, 39.

[79] Boschma, Op de Rozenhoeve, 111. Idem, Waarom gelooft gij niet. Hilversum 1947, 120.

[80] Toekomstig Leven, V, (1901) 37. Idem, Toekomstig Leven, XIII, (1909) 241 vlg. Wat Elise van Calcar betreft houde men er rekening mee, dat zij evangelisch-vrijzinnig was, en dat Boschma zich als ethisch-orthodox afficheerde.

[81] M. van Maanen, ‘Het psychisch monisme van Fechner-Heymans’. In: Theosofia 26 (1918) 19-24; 40-45, 45.

[82] Zo komt Fechner volstrekt niet aan de orde in het belangrijke boek van Janet  Oppenheim The Other  World. Spiritualism and Psychical Research in England, 1850-1914. Cambridge 1985.

[83] Wilhelm Wundt, Reden und Aufsätze. Leipzig 1913, 239. Invloed van Fechner – via Heymans – op de Friese dichter Obe Postma is niet denkbeeldig. Zie Breuker, Obe Postma.

[84] Oorspronkelijk San Francisco 1997; Ned. vert. Delft 1998.

[85] Invloed van de Amerikaanse filosoof en spiritualist William James (1842-1910) mag hier niet uitgesloten worden. Zijn connecties met de parapsychologie in: Janet Oppenheim, The other world, passim.

[86] Borg, Nooit  kenden wij God aldus, 57.

[87] De oude papieren van het panentheïsme blijken ook uit een aan Patrick, apostel en schutspatroon van Ierland, geb. in 373, toegeschreven reisgebed waarvan ik een gedeelte weergeef:

    De Heer zij voor u

    om u de juiste weg te wijzen.

    De Heer zij achter u

    om u in de armen te sluiten

    en om u te beschermen tegen gevaar.

    De Heer zij onder u

    om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. (…)

    De Heer zij boven u om u te zegenen.

   

[88] Hilbrandt Boschma, Licht en Liefde, maart 1937, 34

[89] Idem, Eenvoudig Christendom,  114, 115.

[90] Idem, Het Godsrijk is nabij, 4, 16.

[91] Idem, Waarom gelooft gij niet ?, 124.

[92] Idem, Licht en Liefde, september 1925, 9.

[93] Idem, Eenvoudig Christendom, 38.

[94] Idem, 74.

[95] Idem, 123. Een brief van mei 1939 ‘aan de heer Groenesteyn’ geeft als zijn opvatting, dat de identificatie van de Bijbel als Gods Woord ‘een onware, en zelfs een lage en minderwaardige uitdrukking’ (is).

[96] Idem, Waarom gelooft gij niet ?, 114.

[97] Aad Schravesande, ‘Sergeant Boschma’s bekering’. In: Gidsen en getuigen op de pelgrimage naar vrede. Gorinchem 1999, 106

[98] De brief is van 2 februari 1887 en bevindt zich in het archief De Fremery. (Harmonia Utrecht). S.F.W. Roorda van Eysinga, zie BLGNP, II, 381 vlg. [F.L. van ’T Hooft].Eveneens Jansen, Op zoek, passim. Daar ook veel aandacht voor Schimmel en het spiritisme.

[99] Voor Elise van Calcar, J.H. Sikemeier, Elise van Calcar, en Jansen, Op zoek, passim. Beversluis in: BLGNP, II, 64 vlg. en Jansen, Op zoek, passim.

[100] Archief Boschma, Ongepubliceerde teksten, ‘Het is nog niet geopenbaard wat we zijn zullen’. (map 16).

[101] Bedoeld wordt H(ak) Holdert, eigenaar van De Telegraaf.-

[102]1