Hendrik Willem Heuvel (1864-1926) en Gerrit Velderman (1837-1917). 

De verschijning van deze bijdrage – ik zeg het wat tongue in cheek - had misschien beter nog tot 2017 kunnen wachten, want de Achterhoek zal dan ongetwijfeld herdenken dat de bekende schrijver Gerrit Velderman  honderd jaren daarvoor  in het ziekenhuis van Terborg overleed (4 mei 1917). Op deze plaats gaat het echter niet zozeer over Velderman, maar over meester Heuvel die ettelijke malen in het openbaar de loftrompet heeft gestoken over Velderman, internationaal geroemd als vertaler van de werken van Fritz Reuter, Hans Christian Andersen en de gebroeders Grimm. Velderman werd opverzoek van de uitgever C. Misset ook hoofdredacteur van De Graafschapbode (1882/1883). [1]  ‘Voor dit blad en de Nieuwe Arnhemsche Courant schreef hij, behalve over literaire onderwerpen, veel over de historie van de Achterhoek. Op dialectgebied werd hij bekend door tien jaar lang een wekelijkse bijdrage te leveren voor het Nieuwsblad van Gelderland en Overijssel en de Nieuwe Apeldoornsche Courant onder het pseudoniem van Kees Koem. Voor de Graafschapbode leverde hij dialectbijdragen in de vorm van brieven van Berend Stuggink.’[2]

Heuvel en Velderman kenden elkaar sedert 1903 en werden vrienden. In de loop der jaren ontwikkelde zich een  relatie die zich niet alleen bewoog op het zakelijk-literaire vlak, maar ook familiaire trekken kreeg, zoals Heuvels dagboeken laten zien. ‘Velderman bij ons’ lezen we daar regelmatig en op 5 december van het jaar 1907 kregen de kinderen van Heuvel cadeautjes van Velderman, die af en toe ook bij de Heuveltjes overnachtte. [3] Velderman was belangrijk voor Heuvel, want een man van gewicht en dat niet alleen voor het literaire leven van de Achterhoek; ook landelijk bezat hij faam door zijn vertalingen en door zijn uitgaven van werken in de serie ‘Bibliotheek van Nederlandsche Klassieken. Bovendien vond Heuvel In De Graafschapbode een klankbord voor zijn publicaties: op 28 februari 1915 bij voorbeeld kreeg hij van Velderman een uitnodiging om een aantal artikelen te leveren voor het dagblad. Velderman zal ongetwijfeld veel van zichzelf in Heuvel herkend hebben. Beiden waren selfmade men met een diepe liefde voor de Achterhoek. Geschiedenis en dialect van de regio hadden hun beider grote belangstelling, hoewel Heuvel relatief weinig in de ‘gouwspraak’ publiceerde. Zij waren eensgezind wat hun pedagogisch-culturele doelstelling betreft: opvoeding van en streven naar een hoger niveau van weten en kunnen van de Achterhoekse mens, zowel het kind als de volwassene. Daarnaast werden beiden ‘gegrepen’ door het ‘wonder’: voor Velderman was dat met name het wonder van de taal, voor Heuvel het wonder der natuur.

Velderman en Heuvel waren niet ebenbürtig; qua statuur en maatschappelijke positie was de eerstgenoemde toch iets verder opgeschoven op de maatschappelijke ladder.[4] Er is wel eens gesteld, dat hun relatie  een soort leermeester-gezel verhouding zou zijn; dat lijkt me te veel eer voor Velderman en een tekortdoen van meester Heuvel, die ‘de geleerdheid en de eerzucht voorbij’ erudiet, warm en begrijpelijk weergaf wat hem bewoog. Dat toont de hieronder volgende toespraak die hij hield bij de tachtigjarige verjaardag van Velderman,[5] dat toont ook  de eveneens opgenomen rede die hij hield bij de onthulling van het monument op het graf van Velderman te Terborg op 4 mei 1918, een jaar na diens overlijden. Ik publiceerde hem  eerder in mijn Heuvel hervonden. [6] In deze toespraak vinden we ook een religieuze dimensie, te weten: het leven na de dood. Sprekend over het ‘Eeuwige Leven’ zei Heuvel: ‘En willen wij dat woord ‘eeuwig leven’ niet alleen verstaan in de ruimere beteekenis van goede invloed, die niet sterft, maar we denken daarbij ook aan hem zelf, aan zijn rijke persoonlijkheid. Was het niet een der grootste ontdekkingen der voorgaande eeuw, dat geen stof of kracht ooit verloren gaat? En zou dan dat, wat meer is dan onze stoffelijke natuur, ons zieleleven met haar liefde en haar aspiraties naar hooger en reiner ooit verloren kunnen gaan?’ Heuvel verwijst hier naar de Wet van behoud van energie en past dus een natuurwet toe op het geestelijk/religieuze leven. [7]

 

Toespraak van heuvel bij Veldermans tachtigste verjaardag.

Aan een tachtigjarige, G. Velderman

geb. 24 Febr. 1837.

 

Mijn hart heeft nu geklopt tot in de zestig jaren.

En ziet die lange tijd is vaardig heengegaan.

De jeugd is maar een damp, een bloem, een spichtig gras

en ik nu maar een schim van wat ik eertijds was.

Schoon ik in stilheid zat, nog ben ik heen getogen.

Schoon ik niet voort en ging, mijn jeugd is heen gevlogen.

Nu ben ik als een mensch, die in een stillen droom

is in een ander land gedreven, met den stroom.[8]

 

Zoo heeft een dichter in de 17e eeuw gezongen en onze vriend zal hetzelfde gevoeld hebben op deze dag, dat zoovele menschen hebben gehad als hun jaren klommen, het wonderbare van die reis in den tijd – gasten en vreemdelingen  hier beneden, pelgrims die een vaderland zoeken. ’ Zoo slapende gaat de tijd voorbij’ zeggen oude boerenmenschen vaak, hetzelfde wat dit beeld v.d. stillen droom zegt (sic) verre verborgen bronnen. Het allereerste begin verliest zich in het duister van het onbewuste, zooals in den vroegen zomermorgen het licht uit de nevelen rijst. Wat is het liefelijk in de morgenvroegte; de dauw ligt als een teeder waas over alles uitgespreid en de rozige dageraad kleurt het met een liefelijken glans. Daar ontwaakt hij tot bewustzijn; ’t is in de goede oude stad Deventer in een heel eenvoudig burgerhuis; de vader is een timmerman, een brave oppassende werkman en de moeder een flinke vrouw met een helder hoofd en een liefdevol hart. Ze kwam van buiten, onder Holten was ze geboren, op de Wippert[9] aan de Schipbeek en in Laren had ze school gegaan bij den ouden meester Postel[10], die zulk een voortreffelijke onderwijzer was. Aan die moeder denkt de tachtigjarige nog met innige dankbaarheid.

Verder vloeit de levensstroom. Daar is de oude school, waar de meester aan een groote schaar van kinderen de beginselen onderwees. (Deventer kermis, kinderspel). De kleine Gerrit was een leergierig  knaapje, de lust van zijnen meester, die hem na de schooljaren als kweekeling aanneemt om overdag te helpen bij het leeren der kleintjes en ’s avonds te leeren voor zichzelf en lessen te ontvangen. Op zijn 16e jaar haalde onze jonge V. de 4e rang, de laagste der vier sporten v. d. meestersladder, en ontvangt van zijn moeder Sara Burgerhart ten geschenke, het beroemde werk van het schrijfsterpaar (Wolff, Deken), dat (sic) levensslang zijn lievelingsauteurs waren. Met geestdrift spreekt de oude man nog over het genot dier boeken en roemt altijd Cornelia Wildschut. Een moeder, die zulk een boek aan haar zoon geeft, is stellig geen gewone vrouw.

En nu gaat het crescendo (de eene triomf na de andere): op zijn 18e jaar behaalt hij den derden rang (1855), daarna achtereenvolgens Fransch, Duitsch, Engelsch, hoofdakte (1861). Dat was een tijd van werken in de avonduren, want overdag gaf het onderwijs der jeugd (…) Toch was de jonge ondermeester ook een vroolijke baas, die plezier maakte met zijn kameraden o.a. meester Postel jr. van Laren.[11] Na ’t behalen der hoofdakte werd de jonge V. hoofd eener afd. M.U.L.O. te Epe. Ook daar verwierf hij vrienden met wie (hij) na jaren nog de kennis onderhoudt. Het duurde slechts een paar jaar. Met het oog op de wet op ’t M.O. keerde hij naar Deventer terug als onderwijzer om de colleges van Prof. Van Vloten in Ned.Taal- en Letterkunde. [12]Van dezen singulieren man (dezen kenner) heeft hij veel geleerd en veel steun ondervonden.  

Na ’t behalen der akte M.O. werd hij eerst geplaatst aan de H.B.S. en Burger(s) Avondschool te Deventer en in 1866 werd hij benoemd als leeraar (i. N.T.en L.) aan de H.B.S. te Arnhem, waar hij tot 1902, dus 36 jaar werkzaam bleef. (Het was een periode van kalme ingespannen arbeid en in stil gelukkig huiselijk leven met een goede vrouw, die hem twee meisjes schonk – in de mooie stad met haar schoone omgeving). Daar begon hij zijn eersten letterkundigen arbeid met de vertaling van eenige Duitsche romans , o.a. Gipfel und Abgrund (Grootheid en Val) van Gr. Samarow.[13] De hoogtepunten in dit leven waren het verschijnen van boeken, die hij vertaalde of bewerkte. Voor het onderwijs gaf hij uit een Deutsches Lesebuch in 2 dln., Fransche leerboeken (o.a. Le Français Contemporain). Verder eenige nummers in een ‘Bibliotheek van Nederlandsche Klassieken’, o.a. Hoofts Ware Nar en Vondels Lucifer. Voorts schreef hij een paar populair wetensch. werken: Beknopte geschiedenis der Fransche Revolutie, Schets der staatk. Ontw. v. h. Koninkr. N. tot a.d. dood v. W. III (uitg. Gouda Quint Arnhem), vertaalde Whitney’s De Taal in haar leven en ontwikkeling. (The Life and the Growth of Language - 1875) Taalstudie was zijn lust en leven en deze bracht hem op een gebied, dat hem van kinderjaren bekend was, het dialect. In zijn vaderstad werd ‘het plat’ gesproken en hij verstond het goed en had het lief. Hij bestudeerde al meer de gouwspraken . Allereerst de Duitsche. Zoo kwam hij bij Klaus Groth, wiens Uit mijn jongensjaren hij vertaalde en straks bij Fritz Reuter, van wie hij gaandeweg alle werken uit het Mecklenburgs in het Nederlands overzette. Fritz Reuter werd zijn boezemvriend, stellig omdat hij zoveel op den geestigen humoristischen Mecklenburger geleek. Hij ook had een ongemeene zin voor het komische en vroolijke bleef hem bij tot zijn ouden dag. Iedere lezer van De Graafschapbode verwondert zich, dat een man van bij de tachtig nog zoo opgewekt en pikant is, dat hij nog altijd het bont gebeuren der week zoo geestig schikt tot een kaleidoscoopfiguur versierd met letterkundige of historische herinneringen, zoo pas nog over strenge winters in vroeger tijd. En de brieven van Berend Stuggink en Kees Koem , die meer dan 10 jaar lang in het Nieuwsblad van Gelderland en Overijssel een verheuging waren voor de lezers.  Intusschen vond hij nog de tijd voor ander gewichtig werk: de vertaling van Andersens Sprookjes uit het oorspronkelijke Deensch, die zeer geroemd wordt om juistheid, eenvoud en frischheid (1911). Daarna was hij vele jaren bezig met een vertaling van Grimm’s sprookjes, die zoo goed als gereed is.

Door zijn werken aan De Graafschapbode (redactie 35 jaren) en door zijn wonen in Laag-Keppel werd hij al meer een Graafschapper, die in twee geïllustreerde Gidsen (Arnhem-Isselborg; Zutphen-Emmerich) den vreemdeling het natuurschoon en merkwaardige van zijn land aanwijst.

Dat is een zegenrijk leven; wanneer men de menschen het schoone der natuur en het schoone in de letterkunde leert zien en genieten dan mag men zeker een weldoener heeten. Andersen en Fritz Reuter, hoezeer verschillende naturen, hoeveel goede gedachten, schoone stemmingen, geven ze ons. Daar spreekt de natuur in haar liefelijkste openbaring. Natuur en volksleven zijn de heer V. zoo lief. En als we nu vragen, waar de oorsprong dier liefde te zoeken is, dan gaan we terug naar de verborgen bronnen der vroegste jeugd en nog vroeger. Dan denken we aan die moeder, die op De Wippert in ’t Holterbroek haar vroegste levensjaren sleet  in de eenzaamheid der groene weiden, waar de wildzang klonk en het primitieve land leven in eere was. Het lied der velden, het naïeve landvolk spreekt tot hem in de volksspraken, in Reuter, Andersen en Grimm. Zoo heeft hij gewerkt met noeste vlijt tot de dag van heden; het hield zijn geest lenig en frisch en deed hem blijmoedig en opgewekt zijn weg gaan, ook al had hij veel zorgen. ‘Repos ailleurs’ (rust elders) zal zijn devies zijn als van Marnix van St. Aldegonde.

Geachte jubilaris, wij danken U namens de velen voor wie gij door uw pen letterkundig of natuurgenot hebt gesmaakt, die ge onderhouden en vermaakt hebt door Uw brieven in hun weekblaadje en we wenschen U nog eenige kalme en gelukkige jaren toe. God zegene U.

In de marge: In 1902 verkreeg de heer V. eervol ontslag van de H.B.S. te Arnhem en vestigde zich metterwoon in Laag-Keppel, dat daar zoo vriendelijk ligt aan de boorden v.d. O. IJsel.

Toespraak van Heuvel te Terborg op 4 mei bij het graf van G. Velderman.[14]

‘Op dezen Meidag zijn we bijeengekomen op dit kerkhof voor een schoone plechtigheid, de onthulling van het gedenkteeken voor een verdienstelijkman. Vandaag is het juist een jaar geleden, dat onze vriend Gerrit Velderman na kortstondige ongesteldheid overleed in het R.-K. Ziekenhuis van Terborg. Vier dagen later werd hij op dit vredige plekje ter ruste gelegd.

Slechts een paar dagen was hij ziek. We hadden er niets van gehoord en daar ontvingen we plotseling de tijding, dat hij was heengegaan. Zo kort was het geleden, dat wij nog een geestig stukje van zijn hand in de Graafschapbode lazen. Ruim twee maanden tevoren hadden wij zijn 80sten verjaardag meegevierd. Hoe opgewekt was hij dien dag nog. En nu al niet meer onder de levenden!

Toch waren we blij, dat hij geen lang en smartelijk ziekbed heeft gehad. Het was goed zoo: een zacht uiteinde na een lang en gezegend leven.

Een gezegend leven. Hij heeft gewerkt zoolang het dag voor hem was, onverdroten gewerkt aan een schoone taak: de opvoeding der jeugd, eerst op de lagere school, vervolgens op de middelbare; dan ook de opvoeding der volwassenen door boek en geschrift en de laatste 35 jaren door de courant.

Welke richting zijn onderwijs volgde, hoeven we niet in het brede uiteen te zetten. Het was vooral de moedertaal met haar schoone letteren, die hij liefhad en voor welke hij ook de jonge lui wist te bezielen. Van alle wonderen dezer wondervolle wereld boeide hem wel het meest het wonder der menschelijke taal. Over haar oorsprong heeft hij een werk vertaald voor de behoeften hier te lande. Al hare verschijnselen heeft hij met grooten lust tot weten bestudeerd. Het meest van al trok hem aan de eenvoudige, naïeve gouwspraak, dat kind der natuur. De studie der dialecten bracht hem tot Fritz Reuter, den humoristischen platduitsche dichter. Reuter werd hem een vriend voor het leven en de voornaamste zijner werken zijn door V. in het Nederlandsch vertaald. Geen wonder, op dien Reuter geleek hij zelf zooveel; geestig en toch zoo gemoedelijk, vol liefde voor het landvolk met zijn eenvoudigen zeden en origineele taal en onder scherts en lach school ook bij onzen vriend een diepe ernst en echte vroomheid.

Welk een heerlijk uitstapje was het voor hem, toen hij – naar ik men in 1908 – naar Stavenhagen mocht reizen – om den honderdjarigen geboortedag van zijn dichter mee te vieren in het Mecklenburgsche land, in den heerlijken tijd, ten het nog geen oorlog was.[15]

Wat hem tot Reuter trok, bracht hem ook naar Andersen. Andersen, welk een wereld van liefelijke beelden verrijst bij uw naam voor onzen geest. Met de vertaling der Sprookjes van den grooten Deenschen verteller heeft hij aan jong en oud een weldaad bewezen. Geen beter en schooner lectuur dan deze engelreine fantasieën.

We hadden zoo gehoopt, dat hij de uitgave zijner nieuwe vertaling van Grimm’s sprookjes nog beleven zou, een werk, dat hem de laatste jaren zijns levens menig aangenaam uur heeft bezorgd. Hij was juist de man, om deze kinderen der natuur uit te dossen in een Nederlandsch gewaad, dat past bij hun eenvoud en frischheid.

Eindelijk – in de krant heeft hij week aan week gesproken, gepraat en geschertst met het landvolk van onzen Gelderschen Achterhoek. Hij kende zijn menschen en voelde zich één hunner. Zij mochten hem graag en lazen met voorliefde zijn boersche stukjes. Ook luisterden zij gaarne naar hem, als hij vertelde uit den ouden tijd, van een kasteel in onze omgeving, van een aardig gebruik uit vroeger dagen, een overlevering, die des avonds aan den haard werd verteld of zoiets.

In de Bibliografie van Gelre zijn heel wat stukje van Velderman vermeld en ook het tweetal reisgidsen van zijn hand (van Arnhem tot Isselborg en van IJssel tot Rijn) getuigt van zijn kennis van Gelderland’s geschiedenis en volksleven.

De krant kan een demonische macht wezen – dat is ons de laatste jaren al duidelijker gebleken - , maar ook een weldoener en opvoeder. De lokale bladen, waarvan hij 35 jaren hoofdredacteur was, hebben een goede invloed gehad, niet het minst door zijn onvermoeid ijveren voor vrijheid en vooruitgang, voor beschaving en verlichting. Nieuwe tijden brachten nieuwe stroomingen en andere leuzen, maar het liberalisme, welks banierdrager hij levenslang wa , heeft toch in onze maatschappij een schoone taak vervuld.

Men zegt, dat geen geluid ooit ophoudt te trillen in de ruimte, dat elke golfslag in de zee wordt voortgeplant in oneindige verte. Zoo gaat ook goede invloed nooit verloren en zoo zal de arbeid van onzen vriend nawerken. Daarom is het ons een aangenaam denkbeeld, dat tot in verre toekomst de menschen, die dit kerkhof betreden, zullen stilstaan bij dit monument, om te lezen, wat de man, die hier rust, heeft gedaan en zij zullen een dankbare gedachte wijden aan hem, dien zij niet hebben gekend.

Maar voor ons was hij nog meer. Wij hebben hem wel gekend in al zijn levenslust en blijheid, met al zijn hartelijkheid en vriendschap en we bewaren van den omgang met hem tal van liefelijke herinneringen. Mag ik even van mijzelven spreken? Nooit zullen wij vergeten hoeveel aardige verrassingen hij mij en de mijnen heeft bereid, hoeveel genotvolle uurtje wij samen hebben gesleten. Geen verschil van maatschappelijken stand, geen verschil van denkwijze op politiek en godsdienstig gebied heeft verhinderd onze warme toegenegenheid en vriendschap.

Zoo is er iets, dat leerden we ook in den omgang met hem – dat boven al die verschillen gaat. Dat blijkt ook uit het verheugende feit, dat in de commisie gaarne menschen zitting namen, menschen van zeer verschillende richting en denkwijze, ook een geestelijke der Katholieke kerk, wiens vriendschap de overledene op zeer hoogen prijs stelde.

Het was, omdat allen in den heer Velderman bovenal den mensch eerden. Boven al wat in deze wereld uiteen doet gaan, staat toch dat ons vereenigt, de L i e f d e. Deze droevige wereld moge nog zoo vol zijn van verdeeldheid, bitterheid en vijandschap, zij zullen toch niet het laatste woord der geschiedenis zijn. Het einde is vrede, liefde, blijdschap. Daarvan spreekt zoo goed ons monument: ‘Waar liefde . . . Een kiem van eeuwig leven.’ En willen wij dat woord ‘eeuwig leven’ niet alleen verstaan in de ruimere beteekenis van goede invloed, die niet sterft, maar we denken daarbij ook aan hem zelf, aan zijn rijke persoonlijkheid. Was het niet een der grootste ontdekkingen  der voorgaande eeuw, dat geen stof of kracht ooit verloren gaat? En zou dan dat, wat meer is dan onze stoffelijke natuur, ons zieleleven met haar liefde en haar aspiraties naar hooger en reiner ooit verloren kunnen gaan?

Het nieuwe leven der lente, dat op dezen Meidag tot ons spreekt in bladergroen, bloemengeur en vogelenzang zij ons het beeld van een schoonere lente, die voor onzen vriend is aangebroken. Dat moge ook u een troost zijn, dochters van den heer Velderman, voor wie hij veel meer geweest is dan voor een onzer. Wij weten met hoeveel liefdevolle zorg hij werkte voor de zijnen tot aan het einde van zijn leven. Gij weet het nog beter dan wij, hoe hij steeds het minst aan zichzelf dacht, maar gelukkig was in de gedachte, dat zijn kinderen verzorgd waren. Voor uw herinnering zal opkomen het gelukkig huiselijk leven van vroeger dagen, toen uwe moeder er nog was, de dierbare gade bij wie hij lange jaren zooveel steun vond. Ook haar mogen we niet vergeten bij de herdenking van onzen vriend. Zij was zijn goede engel, zoolang zij leefde. En daarna zijt gij het geweest, jongste dochter van den heer Velderman, die bijna tien jaren de trouwe verzorgster van uw vader waart.

Voor u beiden zal hij onvergetelijk zijn; ook wij zijn vrienden, zullen hem niet vergeten en moge dit monument zijn naam en werk bij het nageslacht in dankbare herinnering bewaren.’

 

 

 

 

Bijlage.

Vermelding van Velderman in Heuvels dagboeken.

 

Dagboek deel III (1901-1903).

4 Juli 1903. Naar Velderman in Laag Keppel. (Krebbers is al in Doetinchem).[16]

25 Juli 1903. Met Velderman en Krebbers naar Gelselaar.

5 September 1903. Met Velderman en Kr(ebbers) n. Emmerich (huis Borghees, Kätchen, Rikken, oude Wirtschaft, diner in Kaiserhof).

26 September 1903. Met Velderman en Kr. n. Neede – Markvelde. Warmelink mee n. Rietmolen.[17]

10 Oktober 1903. Naar Krebbers, waar Velderman ook.

5 December 1903. Nog geen kad. van Veld. voor de kinderen.

 

Dagboek deel IV (1904-1912)

2 Juli 1904. Met Krebbers n. Velderman. Geloopen v. Doetinchem n. Keppel. Alleen boeken gezien.

6 Mei 1905. M. Krebbers en Velderman n. Haarlo.

27 Mei 1905. N. Doetinchem (m. Rutgers: vacature Hoog Keppel); , Moolhuizen, gel. n. Laag Keppel (71) Velderman. n. Oosterbaan in Doesb. (V. mee) Hoog Keppel (kerk – Hessenweg) bij Marsman.[18]

7 Juli 1905. Velderman komt bij ons.

9 September 1905. Velderman en Kr. n. Anholt en Isselborg.

18 November 1905. za  ’s mo. m. 1e trein n. Vorden (naar Krebbers DJ). Velderman er ook.

2 December 1905. Veldermans vrouw erg ziek.

3 Maart 1906. n. Vorden, Velderman er ook.

25 maart 1906. m. Krebbers n. Velderman; geloopen n. L. Keppel.

19 Mei 1906. Velderman (half 11 – 4).

25 Augustus 1906. m. Kr. en Velderman n. Bredevoort (regen tot middag).

6 October 1906. m. Prop en Burg. en Weth. nm. n. Vorden: Krebbers 25 j. (bij het onderwijs DJ). Velderman ook. Samen ‘Land van Rembrandt’ (gegeven D.J) .[19]

7 October 1906. wo. av. n. Geesteren (Scholten, aardappelen v. Velderman).

19 October 1906. vr. av. Prop (…) mee naar W. Scholten in Geesteren (onderw. huis – aardappels voor Velderman bet.)[20]

14 December 1906. Velderman zou komen. Komt niet. (‘in de lappenmand’).

9 Februari 1907. Krebbers komt half 11 (om Veldermans jubilé).

16 Februari 1907. n. Warmelink in Lochem (lijst om schilderij voor Velderman).

24 Februari 1907. Naar Doetinchem: Velderman 70 jr. en 25 jr. a. Gr. Bod. (opstel in Graafschapbode) m. Kr. – 8 u. terug.

13 April 1907. Velderman en Krebbers.

11 Mei 1907. Met Kr. en Velderm. n. ’t Woold (mooi). Watermolen (…).

29 Juni 1907. n. Kr. Velderman er ook.

14 September 1907. Kr. om half 9; Veld. om half 11 (Bakels: Bouq. Dogm.)[21]

21 September 1907. ‘Andersen in ’t Engelsch’ v(oor) Velderman.

3 November 1907. Veld. en Kr. komen. 25 jaar onderwijzersherdenking (cadeau: Grimm en Heine, geïll.). Veld. leest ’s avonds uit Fr. Reuter in Bewaarschool (160 p.).

5 December 1907. Sinterklaasavond, kinderen zoo gelukkig. ( H. met paard, wagen en zweep v. Velderman).

7 December 1907. n. Vorden. Velderman ook (portret van Kuiper en Kr.).

28 Maart 1908. Krebbers en Velderman (vm. n. J(aar) Kr(ans) i. Geesteren.)

21 Juni 1908. Velderman m. dochter en Krebbers.

19 September 1908. Herfstvac. begint, n. Vorden – mooi.

23 Mei 1909. Veld. en Krebbers (10.30 – 4 en 7).

7 Juli 1909. (…) zeer gunstige beschrijving van G.J.A. Jonker te Utrecht, Dr. W. Blink en waard. beoord. v. G. Velderman v.  Volksgeloof.[22]

29 Augustus 1909. m. Krebbers (10 – 5) Velderman ook. ’s Nam. samen naar Hackfort (bij Tjoonk).

30 September 1909. n. Velderman – mist – 10.u mooi, al geel in ’t loover. Hessenweg (…).

18 Februari 1910. Begrafenis v. vr(ouw) Kr. H.J. Kr. vandaar gehaald. ’s Nachts bij ons. Veld. za. (19) ook.

11 Juni 1910. Velderman bij ons. Voor ’t Reutermonument, n. Bloemers (burgemeester van Borculo DJ) e.a. Geeft.[23]

5 December 1910. Sinterklaasavond. Veel pret (boeken van Velderman, geschenken van juffr. Behrns).  

10 December 1910. n. Vorden (10 u. Gantvoort uit Rotterdam – Kraayenbrink). Mooie dag. Velderman ook. ’s Avonds in maneschijn met Kr. door ’t Veld.

25 Februari 1911. n. Velderman (74 jr.) Kr. niet goed in orde, geloopen van D(oetinchem)(?) n. Keppel.

27 Mei 1911. Velderman en Kr. bij ons.

9 September 1911. m. Kr. n. Velderman (boeken voor leeszaal) 105 nr. voor   ƒ 60 ruim.

12 December 1911. av. Boekverkooping (…). Velderman bij ons.

24 Februari 1912. m. Kr. n. Velderman (palmboompje gegeven – 75 jr.)

30 Maart 1912. n. Krebbers (nu 60 jr. z. Levensgeschiedenis door mij in de Zutphensche Courant). Stamperius is er en Velderman, enz. Veel kaartjes enz.

14 Juli 1912. Velderman bij ons.

 

Dagboek deel V (1913-1926).

22 Februari 1913. Velderman en Krebbers bij ons.

8 November 1913. Naar Vorden. Velderman er ook (flink en vroolijk).

7 juni 1914. Naar Velderman (om aardappels).

28 november 1914. Met Veldermann, Krebbers en Hoetink samen in Ruurlo. (voorstel C. Misset ‘Gids v.d. Berkelstreek’).[24]

28 Februari 1915. Velderman en Krebbers of ik artikelen voor de Graafschapbode wil leveren.

24 Juni 1916. Velderman, Krebbers (bij Avenarius, hotel café-restaurant in Ruurlo DJ).[25]

14 October 1916. m. Krebbers n. Misset; ook Velderman. ‘Nog vier Gidsen’.

4 Mei 1918. Onthulling van het monument van G. Velderman.


[1] Een aantekening in Dagboek IV van Heuvel laat  zien sedert wanneer Velderman  bij de Graafschapbode betrokken was: ’24 Februari 1907. Naar Doetinchem: Velderman 70 jr. en 25 jr. a. Gr.Bod. (opstel in Graafschapbode), m. Kr(ebbers) – 8 u. terug.’ In de toespraak van Heuvel bij de onthulling van het Velderman- gedenkteken op de begraafplaats van Terborg (4 mei 1918) zegt Heuvel, dat Velderman 35 jaren hoofdredacteur was van de Graafschapbode. De dagboeken in archief Heuvel (Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, Doetinchem).

[2]  Met eigen woorden. Schrijven in de streektaal in Achterhoek en Liemers 1600-1900. (samenstelling Henk Krosenbrink). Doetinchem 1997, 211. Over Velderman en Fritz Reuter: G.J.H. Krosenbrink, ‘Fritz Reuter en Nederland’, in: Driemaandelijkse Bladen 48 (1996) 65-78.

[3] In de dagboeken van Heuvel  wordt Velderman ettelijke malen genoemd. Een overzicht nam ik op als bijlage.

[4] Heuvel verwijst daarnaar in zijn toespraak bij het graf van Velderman op 4 mei 1918.

[5] Deze toespraak onder andere ook in: De Graafschapbode (23 februari 1917)

[6] Derk Jansen, Heuvel hervonden. Over leven en werk van meester H.W. Heuvel, Doetinchem 2009.

[7] Heuvels vriend Hilbrandt Boschma werkte dit denkbeeld  verder uit. Zie Jansen, Derk, ‘Zowel pelgrim als harpenaar.’ In: Bijdragen en Mededelingen Gelre 2004, 227-252, 240.

[8] Uit Jacob Cats Ouderdom en Buitenleven. Waarschijnlijk uit het jaar1664.

[9] Boerderij c.a. aan de oude weg van Laren (Gld.) naar Holten (kring van Dorth) tussen de Dortherbeek en het Achterste Veld. Voorheen ook wel bekend als ‘het Dorstige Hert’.

[10] Carel Iwan Postel, (boven)meester te Laren van 1812-1856.

[11] Frederik Derk Postel (1827-1893) volgde in 1856 zijn vader Carel Iwan op. Hij bleef hoofd tot 1892; overleden in 1893.

[12] Zie J.A. Bientjes, Dr. J. van Vloten herdacht als goed vaderlander en geschetst in zijn temperamentvollen en invloedrijken arbeid op publicistisch gebied in de tweede helft der negentiende eeuw. Den Haag 1915, 74 (met dank aan drs. Francisca van Vloten).

[13] Gregor Samarow (1828-1903) was schrijver van historische novellen over het tijdperk van Bismarck. Het bekendste voorbeeld is het twintigdelige Um Szepter und Kronen.

[14] Ook opgenomen in: Jansen, Derk, Heuvel hervonden. Over leven en werk van meester H.W. Heuvel (1864-1926).  Doetinchem 2009.

[15] Bedoeld zal zijn het jaar 1910, want Reuter werd op 7 november 1810 geboren.

[16] Voor Krebbers, zie:Jansen Heuvel hervonden, passim.

[17]H. Warmelink, Ibidem, 39, 249.

[18] A. Rutgers was bevriend met Heuvel. Dr. Moolhuizen, inspecteur van het onderwijs. Voor G.H. Marsman, zie: Heuvel hervonden, passim.

[19] Zie voor leven en werk van de onderwijzer Gerrit Prop (1880-1980): Rozingh, Dick, De wereld in kaart gebracht. Zutphen 2009.

[20] ‘Scholten’, waarschijnlijk een collega uit het landbouwonderwijs.

[21]In Bouquetje Dogmatiek van de doopsgezinde predikant Herman Bakels (1871-1952) werd de materialistische wereldbeschouwing gehekeld. Het boek verscheen in 1906 en bereikte een 5e druk in 1924.

[22] Heuvels boek Volksgeloof en Volksleven uit 1909. Het werd uitgegeven met illustraties van Gerrit Prop.

[23] In 1911 werd in Reuters geboorteplaats Stavenhagen het Reutermonument onthuld.

[24] De fotograaf B.J. Hoetink (1876-1960) verzorgde vaak de illustraties bij de door Misset uitgegeven Gidsen.