Meester Heuvel leest… en wordt gelezen! 

door Derk Jansen

Meester Hendrik Willem Heuvel (1864-1926), de Borculose hoofdonderwijzer die vooral bekendheid verwierf door zijn Oud-Achterhoeksch Boerenleven, was een groot lezer. In zijn Dagboeken noteerde hij trouw welke boeken hij onder ogen kreeg, beter nog, bestudeerde, want lichte kost was het meestal niet. Gemiddeld las hij zo’n vijf boeken per maand, althans in 1911, een jaar dat ik hier opzettelijk aan de orde stel. 
Wat las hij zoal in dat jaar? Boeken van Frederik van Eeden (Het Lied van Schijn en Wezen, Lioba), van Maurice Maeterlinck en Gustav Fechner (Nanna), van Annette von Droste-Hülshoff (Die Judenbuche); ook veel theologische werken, want in de maand maart verdiepte hij zich in de Nieuwtestamentische Evangeliën en nam hij de eerste 150 bladzijden van het Oude Testament door in de vertaling van de Leidse hoogleraar H. Oort en de remonstrantse predikant Is. Hooykaas. Ontspanningsliteratuur was het bepaald niet en als er al sprake is van het lezen van een roman, dan was het veelal een verhaal met een boodschap, tendensliteratuur dus.

Een dagboekaantekening uit juni 1911 laat ons dat zien. Heuvel noteert bij die maand als lectuur: ‘Helmut Harringa (Popert) – Innerlijk leven (Hugenholtz) – Paedagog. Opstellen, eerste reeks (Gunning) – Amerika Salzmann. Kreeftenboekje- Thomson: ‘t Leven na den dood – Gedichten van mevrouw Hugenholtz – Henoch Arden.’ Van deze reeks boeken – zij illustreert Heuvels discipline op leesgebied – vraag ik hier met name aandacht voor de roman van Hermann Popert (1871-1932). Deze sociaal geëngageerde jurist had al rondom 1900 in Hamburg de strijd aangebonden met de alcohol. Zijn boek Helmut Harringa verscheen in 1910 en is, wat de Duitsers zo fraai noemen, een Abstinenzroman.
Een ‘onthoudersroman‘ dus. Een boek dat in de faits et gestes van de jonge hoofdpersoon niet alleen een felle aanval liet zien op het gebruik van alcohol, maar dat ook in schrille kleuren de tegenstelling tussen stad en land schilderde. De stad met haar wanorde en chaos, daartegenover het (platte)land met zijn vrijheid en zuiverheid.
Helmut Harringa werd in Nederland goed ontvangen. Aan socialistische zijde sprak men van ‘een eenvoudig, treffend mooi en bovenal volkomen waar boek.’ Hervormden, geabonneerd op de vrijzinnige De Hervorming, konden lezen: ‘Dit boek is zoo frisch als de geur van de bloeiende hei en zilte zeewind’; van onverdacht katholieke zijde klonk: ‘een boek vol temperament, vol hartstocht, dat tot je spreekt en je niet loslaat.’ (De Katholieke Onderwijzer)
Dat werk moest Heuvel natuurlijk lezen, want als auteur van de anti alcohol brochure Een vijand van Stad en Land uit 1909 had hij, ook nationaal, laten zien wat zijn positie was. Die plaats was niet alleen maar die van de schrijftafel- geleerde. Immers, hij was in zijn woonplaats Borculo de drijvende kracht achter de stichting van een eigen gebouw voor de Geheelonthouders.
Daartoe werd op 12 januari 1911 het Volkshuis aangekocht, dat op 3 juni van dat jaar werd geopend met toespraken van Heuvel, notaris E. Kingma en de Borculose predikant F. Reitsma, die probeerde orthodox en vrijzinnig gedachtegoed te verenigen. In diezelfde maand juni las Heuvel dus het boek van Popert over Helmut Harringa. Die roman verscheen in 1910 en kreeg al in 1911 een Nederlandse uitgave. Die verscheen bij de jeugdige uitgever in spé Arie Gerrit Schoonderbeek te Amersfoort, die ook de vertaling verzorgde. Met dit boek vestigde hij in één naam zijn roem, wat moge blijken uit het feit, dat het in datzelfde jaar nog een tweede druk kreeg, ‘3 e -6 e duizend’. Er zouden nog ettelijke volgen.
Schoonderbeek (1887-1986), die zich later in het Gooise Laren vestigde, ontwikkelde zich tot een veelzijdig uitgever. Naast boeken op het gebied van de drankbestrijding, waarvan De brieven van den ouden Josias van Marie Diers uit 1921 ook heel bekend werd, ontwikkelde hij een fonds voor vogelboeken met bekende uitgaven als Zien is kennen en Het Vogeljaar van dr. Jac P. Thijsse. De laatste complimenteerde hem bij het 10-jarige bestaan van het door Schoonderbeek uitgegeven tijdschrift De Wandelaar, dat voor het eerst in 1929 verscheen. Thijsse loofde hem, omdat het blad natuurgenot en natuurstudie aanwakkerde en zo een medestrijder was geworden voor het behoud van het ‘zuivere Nederlandsche Landschap’.
Schoonderbeek werd ook uitgever van boeken van Karl May, die door diens officiële uitgever niet waren opgemerkt. Hij begaf zich eveneens op kunstzinnig gebied en werd de promotor van de graficus Theo van Hoytema. Hij herdrukte diens prentenboeken en kalenders met veel succes, een succes, dat tot vandaag de dag voortduurt. Schoonderbeek wordt door intimi gekarakteriseerd als een markante persoonlijkheid; dat hij een veelzijdig uitgever was, zagen we. Hij had ook graag boeken van meester Hendrik Willem Heuvel in zijn fonds gehad, zoals blijkt uit een notitie die ik vond in zijn archief te Laren.
Daarin meldt hij over Heuvels OudAchterhoeksch Boerenleven het volgende: Op zichzelf ben ik blij, dat het tenminste ergens verschenen is, maar indien het rijke boek in mijn fonds ware verschenen, zou ik gevochten hebben, dat het als een nationaal boek van de eerste rang was erkend en in oplagen van vele tienduizenden onder boer en letterlievende was verspreid. Het is een klassiek vraag: Welke boeken zou je het liefst meenemen naar een onbewoond eiland? Voor Age (Arie Gerrit) Schoonderbeek waren dat naar eigen zeggen slechts twee. De Bijbel en Oud-Achterhoeksch Boerenleven van meester Heuvel.